Lena Zegerius

Lena Zegerius (1926) was op 12 april 2010 in kamp Westerbork aanwezig om aan Nederlandse en Duitse jongeren te vertellen over haar oorlogsverleden. ‘Ik vind het belangrijk dat een dergelijke oorlog nooit meer voor kan komen. Daar moeten we met zijn allen voor proberen te waken.’

Lena bij haar huwelijk in 1945.

Lena Zegerius

‘Toen de oorlog begon in mei 1940 waren wij, mijn ouders en jongere broertje, woonachtig in Amsterdam-Oost. Ik werkte vanaf de zomer van 1940 bij confectie-atelier S.I. de Vries in de Warmoestraat. Mijn moeder werkte ook op een confectie-atelier. Wij waren beiden zoals dat heette ‘voorlopig vrijgesteld van transport’. Totdat we op een kwade dag, op 7 januari 1943, werden opgehaald voor deportatie. In de vijftien minuten die we de tijd kregen om ons reisvaardig te maken, zijn we gevlucht en zo begon onze onderduik. Na vele omzwervingen kwamen we in augustus 1943 bij hoefsmid Arnold Veltmaat in het Overijsselse Dalfsen terecht. Mijn broertje (zei het op een ander adres) en ik bleven, mijn ouders daarentegen gingen weer terug naar Amsterdam.

Mijn onderduik in Dalfsen eindigde na ruim een jaar. Op een zondagmorgen in november 1944 bleek ons onderduikadres in het Sterrebos verraden. Terwijl mijn onderduikgevers naar de kerk waren, pasten mijn medeonderduiker, (de niet-Joodse) Herman Veltmaat, een neef van de hoefsmid die zich voor de Arbeidseinsatz verborgen hield, en ik op de drie kinderen. Plotseling stopte er een vrachtwagen met Duitse militairen op de dichtstbijzijnde weg voor het huis. Herman en ik probeerden nog te vluchtten, maar we kwamen vast te zitten in een doodlopende hoek in de tuin. Via kamp Erika en de gevangenis in Zwolle werd ik op 15 november naar kamp Westerbork weggevoerd. Daar heb ik een korte tijd in het ziekenhuis gelegen. Vervolgens heb ik in een paar verschillende barakken gewoond en administratieve werkzaamheden verricht, tot op 12 april de Canadezen ons kwamen bevrijden.

Na de bevrijding van kamp Westerbork was ik nog altijd in ongewisse of mijn ouders en broertje de oorlog hadden overleefd. Op een dag verscheen echter opeens mijn vader. Hij was op een tandem helemaal uit Amsterdam gekomen om mij te halen.

Na de bevrijding van kamp Westerbork was ik nog altijd in ongewisse of mijn ouders en broertje de oorlog hadden overleefd. Op een dag verscheen echter opeens mijn vader. Hij was op een tandem helemaal uit Amsterdam gekomen om mij te halen.

Na mijn vertrek uit Westerbork ben ik al snel verhuisd naar Rotterdam. In Westerbork had ik een man leren kennen (Philip Stad) met wie ik op 1 augustus 1945 ben getrouwd. Wij hebben drie kinderen gekregen. Kort na de oorlog heeft mijn man de zaak van zijn ouders overgenomen, die niet teruggekomen zijn. Tot januari 1980 hebben we deze zaak bestierd, toen moesten we er om gezondheidsredenen mee stoppen.

In de laatste jaren heb ik op verschillende plekken over mijn familiegeschiedenis lezingen gegeven. Zo was ik op 12 april 2010 in kamp Westerbork aanwezig om daar aan Nederlandse en Duitse jongeren mijn oorlogsverhaal te vertellen. Over wat oorlog in een mensenleven kan betekenen, over de geschiedenis, maar ook over de toekomst. Ik vind het namelijk belangrijk dat een dergelijke oorlog nooit meer voor kan komen. Daar moeten we met zijn allen voor proberen te waken.’