Aaltje Fortuijn

Havo 4 leerling Anouk Baumgarten van Scholengemeenschap Ubbo Emmius uit Stadskanaal schreef een portret over Aaltje Fortuijn. De uit Nijkerk afkomstige Aaltje wist in de onderduik lange tijd uit handen van de nazi’s te blijven. In maart 1945 werd zij alsnog opgepakt en naar kamp Westerbork gestuurd.

Ziekenhuis kamp Westerbork.

Aaltje Fortuijn

Aaltje Fortuijn werd geboren op 24 februari 1916 als eerste kind van voddenboer Izaak Fortuijn (1874) en Jetje Vos (1875). Aaltje groeide op aan de Nieuwstraat 12, in het centrum van Nijkerk. In 1921 werd broer Leo geboren. De familie Fortuijn behoorde tot de ongeveer 130 Joden die in de jaren dertig van de vorige eeuw in Nijkerk woonden.

Al in de zeventiende eeuw had Nijkerk een Joodse gemeenschap, die zo omvangrijk was dat rond 1650 een begraafplaats op de Hoogstraten gekocht kon worden. De Joden hielden zich vooral bezig met de tabaksteelt. Aan het begin van de achttiende eeuw, toen een groot aantal Joodse tabakstelers vertrokken waren, zorgde een Italiaanse Joodse familie voor een nieuwe impuls, zowel voor de plaatselijke tabaksindustrie als voor de Joodse gemeenschap. Die werd de enige Italiaans-Joodse gemeenschap in Nederland. Daarnaast ontstond ook een Hoogduitse Joodse gemeente, die in 1801 een synagoge aan de Singel in gebruik nam. In 1808 fuseerden beide gemeenten. Naast de oude begraafplaats op Hoogstraten werd in 1778 nog een dodenakker in gebruik genomen; verder werd er sinds 1780 begraven op de ‘Korte Dood’ aan de Oude Amersfoortseweg. Tot de Joodse gemeente Nijkerk behoorde ook Hoevelaken.

Op 12 april 1945 werd kamp Westerbork bevrijd. Al een dag na de bevrijding kwam Nico Hulst Aaltje uit het kamp ophalen.

Nijkerk had in de negentiende eeuw een traditie opgebouwd als centrum van Thora- en Talmoedstudie, een traditie die tot in de twintigste eeuw werd voortgezet. Toen nam de Joodse gemeente langzaam in omvang af. Vooral veel jonge Joodse mannen en vrouwen verlieten het dorp.

Tot deze groep behoorde ook Aaltje Fortuijn. Op 2 januari 1935 verhuisde Aaltje naar het grote Amsterdam. Ze had een baan gekregen bij het Nederlands Israëlitisch Oude Mannen en Vrouwenhuis, waar ze ook ging wonen. Tijdens de oorlog zou het Joodse tehuis door de nazi’s worden leeggehaald. Op 3 maart 1943 werden de meeste bewoners en het personeel wat toen nog aanwezig was naar kamp Westerbork gestuurd. Slechts een paar dagen later werden zij als groep doorgevoerd naar het vernietigingskamp Sobibor en daar vermoord.

Aaltje was inmiddels ondergedoken met hulp van verzetsman Nico Hulst en zijn vrouw Elizabeth. De hele familie Hulst, verder bestaande uit vier kinderen, een schoonzus en schoonmoeder, zat diep in het verzet. Nico wist Aaltje meer dan twee jaar van het ene naar het andere veilige heenkomen te loodsen.

In maart 1945 werd Aaltje Fortuijn in de provincie Drenthe verraden, opgepakt en via de gevangenis van Assen naar Westerbork gebracht. In het kamp verbleef Aaltje in de barakken 4 en 42. In de korte tijd dat ze er gevangen zat, heeft Aaltje waarschijnlijk in het ziekenhuis gewerkt.

Op 12 april 1945 werd kamp Westerbork bevrijd. Al een dag na de bevrijding kwam Nico Hulst Aaltje uit het kamp ophalen.

De meeste van Aaltjes familieleden bleken de oorlog niet overleefd te hebben. Haar ouders en broer Leo werden eind oktober 1942 via kamp Westerbork weggevoerd naar Auschwitz-Birkenau. Izaak en Aaltje Fortuijn werden bij aankomst op 29 oktober direct om het leven gebracht. Leo overleed enkele maanden later, op 14 februari 1943 in een kamp bij het Duitse Neukirch.