Abraham Mol

Toen op 11 april 1945 de nazi’s kamp Westerbork verlieten, lieten ze de gevangenen in het ongewisse achter. ‘We vreesden de Duitsers nog steeds’, aldus Abraham Mol (1908). Een dag later werden Mol en de andere ruim 850 gevangenen door de Canadese strijdkrachten bevrijd.

De bevrijding van kamp Westerbork.

Abraham Mol

Abraham Mol kwam in oktober 1943 alleen in kamp Westerbork terecht. Zijn vader Barend (1868) was eerder dat jaar in Den Haag overleden, zijn moeder Roosje Mol-Swaan (1872) was via kamp Vught en kamp Westerbork in mei 1943 naar Sobibor weggevoerd en daar bij aankomst direct om het leven gebracht. Abraham had van haar nog een afscheidskaart ontvangen, geschreven in een van de grote woonbarakken van Westerbork. Zijn geestelijke minder valide broer Eliazer (1905) zat veilig ondergedoken.

Dankzij zijn functie in het ziekenhuis van kamp Westerbork en zijn gegoede achtergrond – hij was overgekomen uit het Joodse elitekamp in Barneveld – werd Abraham vrijgesteld van transport. In september 1944 was het tevens de reden dat hij in Westerbork mocht achterblijven om, zoals de nazi’s aankondigden, mee te helpen het kamp te liquideren.

In de maanden die volgden deden allerlei geruchten de ronde in kamp Westerbork. Zo zouden de gevangenen worden uitgeruild tegen gevangen genomen Duitse militairen. ‘Door de snelle opmars in Frankrijk van de geallieerden zijn veel Duitse militairen gevangen genomen’, schreef Abraham in januari 1945 aan vriend in Den Haag. ‘Er bestaat nu een plan om deze tegen ons uit te wisselen. Dit gebeurd door het Rode Kruis via Zwitserland.’ Abraham Mol wist nog niet zeker of hij naar Zwitserland zou vertrekken of beter in kamp Westerbork kon blijven. Aan de desbetreffende vriend vroeg hij in zijn brief goede raad.

We vreesden de Duitsers echter nog steeds’, zo vertelde Mol verder. ‘We waren bang dat ze het kamp alsnog met de grond gelijk zouden maken. Anderen vermoedden dat ze in hinderlaag lagen rond het kamp om iedereen neer te schieten die naar buiten kwam.

Drie maanden later verbleef Abraham Mol nog altijd in kamp Westerbork toen op 11 april 1945 kampcommandant Gemmeker en zijn medebewakers uit het kamp vertrokken. ‘Ze hingen voor de laatste gevangenen plakkaten op waarop stond dat het kamp werd overgedragen aan het Rode kruis en dat we onze Davidsterren konden afdoen’, zo verklaarde de voormalige ambtenaar van Rijkswaterstaat midden jaren negentig aan de Telegraaf. ‘Bovendien werd geadviseerd in de barakken te blijven, aangezien het kamp in de frontlinie kwam te liggen.’

‘We vreesden de Duitsers echter nog steeds’, zo vertelde Mol verder. ‘We waren bang dat ze het kamp alsnog met de grond gelijk zouden maken. Anderen vermoedden dat ze in een hinderlaag lagen rond het kamp om iedereen neer te schieten die naar buiten kwam.’

Op de twaalfde april hoorde Mol tot zijn opluchting dat de Canadezen waren gevorderd tot het drie kilometer verderop gelegen Oranjekanaal. Mol: ‘Ik ging ze samen met wat andere kampbewoners tegemoet. En wat ons opviel: de Canadese soldaten die wij ontmoetten wisten helemaal niet dat het kamp bestond. Wij moesten ze de weg wijzen, waarna ze met hun tanks optrokken.’

Na de bevrijding verliet Abraham Mol in mei 1945 kamp Westerbork. Hij vertrok naar Amsterdam waar hij de zorg over zijn broer Eliazer op zich nam. Dat zou hij tot zijn dood in 1998 volhouden.