Abraham Querido

Als jonge sportjournalist leerde Ad van Liempt dokter Bram Querido kennen. Querido was net als Van Liempt een echte Utrechter, afkomstig uit een volksbuurt, die vanwege zijn Joodse afkomst in december 1944 in kamp Westerbork terecht kwam. ‘Dr. Querido liet zich er niet onder krijgen.’

Het persoonsbewijs van Abraham Querido.

Abraham Querido

In de zomer van 1971 heb ik hem een tijdje meegemaakt, dokter Querido. Hij was als clubarts van FC Utrecht tien dagen mee met de selectie naar een trainingskamp in Duitsland, omgeving Marburg. Bestuursleden waren er niet bij, wel journalisten – zoals ik. Na de oefenwedstrijden tegen amateurclubs was er altijd een gezamenlijke maaltijd, met grote schnitzels. En toespraken vol wederzijdse vriendelijkheid. Wie moest er namens FC Utrecht het woord voeren? De dokter natuurlijk, dokter Bram Querido. Een klein, vriendelijk, droogkomisch mannetje. De spelers spoorden hem altijd aan, dat hij moest speechen. Dokter, je moet staan! En dan was er altijd wel een die zei: ‘Hij stáát al.’

Voetbalhumor, daar hield hij wel van. Hij genoot van zijn rol, te midden van die Utrechtse jongens. Utrechtser dan hij kon je niet zijn. Bram Querido, op 30 april 1911 geboren in Wijk C, hartje stad. Hij is er nooit weggegaan, heeft lang een huisartsenpraktijk gehad in de wijk, met 4000 patiënten. In een televisieportret in 1998, lang na het beëindigen van zijn werkzaamheden zei hij: ‘Ik begon altijd met: “wijffie, wat scheelt eraan?” Je moet de mensen op hun gemak stellen.’

Destijds, in dat trainingskamp, heb ik nooit over het verleden gesproken met de clubarts. Het moet voor hem een bizarre ervaring zijn geweest, tien dagen rondlopen in het land van de vijand. Bijna zijn hele Joodse familie was in de oorlog uitgemoord. Zijn ouders en zijn zus zijn vergast, één zus overleefde, net als hijzelf. Hij was getrouwd met een katholieke vrouw, Fientje Daamen, die hij in brieven ‘Fikkel’ noemde. Ze zat tijdens de oorlog in Den Haag. Door zijn gemengde huwelijk leek hij vrijgesteld van deportatie, maar dat was geen solide basis. Daarom dook hij uiteindelijk toch onder. De dreiging werd te groot. Vooral na de invoering van de Jodenster, begin mei 1942. In een interview zei hij ooit: ‘Die ster heb ik nog. Daar begon het mee, dus toen was je al gekenmerkt. Ik heb hem nooit gedragen, nee.’

De onderduik duurde tot diep in 1944. Toen liep het alsnog mis. Bij een bezoek aan het badhuis kwam er een man naar hem toe die hem waarschuwde: ‘pas op, er is controle.’ Querido bedankte hem. Waarop de man hem aanhield en meenam, het bleek een SD’er. Querido kwam in Den Haag in de gevangenis terecht. Hij werd uiteindelijk afgevoerd naar Westerbork, waar hij half december 1944 aankwam. Toen reden er, door de spoorwegstaking, geen treinen meer naar de vernietigingskampen. Querido bleef tot de bevrijding van het kamp, op 12 april, in Westerbork. Hij herinnert zich nog de dag dat hij er aan kwam, zo vertelde hij ooit tegen de mensen van het Utrechtse Wijk C-museum:

‘Toen ik daar binnenkwam in Westerbork, met een heleboel anderen, toen zei één van die mensen tegen mij: je kan straks eten; je krijgt aardappeltjes, gehakt, lekkere jus, en je krijgt iets toe. Ik zeg, zal ik jou eens een stomp voor je kop geven? Wil jij mij in deze sores nou nog eventjes lekker maken met je aardappelen? En verdomd! We kwamen daar binnen, er stond een tafel, aardappelen, gehaktballen… . De rotzakken wisten het: de zaak is vergokt, laten we maar een beetje soepel doen.’

Querido (linksonder) als sportarts van FC Utrecht in de jaren zeventig.

Querido, die in de oorlog halverwege zijn studie medicijnen was gekomen, werd eerst in de ziekenbarak aan het werk gezet, en later in de bosploeg: hij moest meehelpen bomen om te hakken, er was geen andere brandstof meer in het kamp. Over wat er rond de bevrijding van Westerbork is gebeurd schrijft hij in brieven naar zijn Fientje in Den Haag – het is een authentiek verslag van de gebeurtenissen, zoals Bram Querido die ervoer:

‘10 april: De hele bosploeg moest ’s middags om twee uur naar het kamp terug. Een SD’er, Fischer heet hij, een beruchte boef, sommeerde de hele ploeg terug naar het kamp. Even was ik angstig en dacht aan een mogelijk transport. Nu moet je weten dat we al dagen artillerievuur hoorden en de dolste geruchten deden de ronde. Een ding bleek zekerheid: de Duitsers in ’t kamp zouden vertrekken, want de Canadezen waren in aantocht.
11 april: Duitsers weg, kamp onder Joodse leiding, onder bescherming van het Rode Kruis. Ster mag niet meer gedragen worden. Zenuwachtige maar toch enthousiaste stemming.
12 april: vergadering van alle kampbewoners, onder voorzitterschap van de burgemeester van Westerbork. Dan, om vier uur, als hij bijna uitgesproken is, rent iemand de zaal binnen: ‘De Tommies zijn er’ schreeuwt hij en toen verlieten circa 1.000 mensen de zaal en holden de weg op naar buiten en het duurde niet lang of de eerste trucks rolden binnen. VRIJ VRIJ!
O, Fikkel, wat heb ik aan je gedacht en aan allen die mij dierbaar zijn!’

Vanaf dat moment houdt Querido de gebeurtenissen nauwgezet bij. Er komen radio’s in de barakken, er is eindelijk nieuws. Querido kan bijna niet geloven wat er is gebeurd: ‘Onze bevrijding (ik bedoel de Joden van Westerbork) is een WONDER. De moffen vertrokken, en de Canadeze kwamen binnen, er is geen schot gelost. Het is als een droom, een nachtmerrie met een heerlijk ontwaken.’

Maar het duurt nog weken voor hij uit Westerbork weg kan. Het westen is nog niet eens bevrijd. Hij hoopt in Den Haag wat medische assistentie te kunnen verlenen. Verlangen naar huis drijft hem: ‘Spoedig liggen we in elkaars armen.’
Hij schrijft dat hij nu volop te eten heeft. Hij leent een fiets van een verzetsman, en rijdt naar het dorp Zwiggelte waar hij allerlei spullen ruilt. Zeeppoeder uit het kamp tegen eieren en spek (hij is liberaal, doet niet aan de Joodse spijswetten), en ook roggebrood. Hij meldt trots dat hij drie eieren per dag eet. Hij schrijft: ‘Laatst kwam ik met 34 eieren, 2 pond boter, pond spek en 2 roggebroden thuis, geruild voor een vuil wit jasje (gevonden in een moffenbarak) en wat waspoeder. Maar het gaat niet alleen over eten: ‘Wat zal ik blij zijn als we voor het eerst sinds jaren de achtervolgingsangst kunnen missen. Vrijheid is een toverwoord. Eindelijk is het zover. Maar voor het zover was, hè?’

Wat zal ik blij zijn als we voor het eerst sinds jaren de achtervolgingsangst kunnen missen. Vrijheid is een toverwoord. Eindelijk is het zover. Maar voor het zover was, hè?

Het zijn mooie brieven. Bram Querido schrijft recht uit het hart. Hoe hij geniet van het ruilen en het scharrelen, het doet hem denken aan zijn moeder, een echte koopvrouw, die in textiel handelde en vaak met de hondenkar, getrokken door Bello, de Utrechtse wijken doortrok. Af en toe een uitval tegen de vertrokken bezetter:

‘Duitslands lot is bezegeld, gecapituleerd. Daar hebben ze vijf lange jaren brand voor gesticht, onschuldigen vermoord, de wereld in chaos gebracht. Gecapituleerd. De zwijnen. Waar is de Führer? Waar is Goebbels? Dood? Nee, de honden zijn ondergedoken. Maar we krijgen ze. Het tuig! Zoals hier elke dag transporten binnenkomen van de edelgermanen (moet je zien wat een stumperds), zo zullen de moffen hun lot ook niet ontlopen. Er zijn hier ook al 600 NSB-wijven met kale kop (moeten zich mesjogge werken).’

Hij beschrijft de volstrekt absurde situatie in het kamp. Er zijn al 1.500 NSB’ers binnen, politieke delinquenten, kaalgeschoren, band om de arm. Ze zijn aan het werk gezet. Onder toezicht van… de Joodse ex-gevangenen:

‘De Joden zijn hier hun bazen. Ook zijn hier veel leden van de ondergrondse en Vrij Nederland. Ik ben ploegbaas over 25 NSB’ers. We leggen nieuwe straten aan in het kamp, ik ben tot commandant bevorderd. Fik, dat is een genot, om je vijanden in je macht te hebben.’

Op 25 mei wordt hij, eindelijk, ontslagen uit kamp Westerbork. Hij verlaat barak 6, zaal 4.
Bram Querido is terug bij Fien en hun dochtertje Roos. Later zullen er nog drie zoons worden geboren. Ze zullen alle drie arts worden. Net als hun vader. Het duurt geruime tijd voor Querido verder gaat studeren voor zijn artsexamen. Hij ziet er enorm tegenop. Een fameuze Utrechtse internist, dr. De Lange, geeft hem het beslissende zetje: doorgaan. In 1949 opent hij in Wijk C zijn huisartsenpraktijk. Hij vindt het ontzettend jammer dat zijn vader en moeder het niet hebben meegemaakt. Zijn vader was voor de oorlog al zo trots op hem. Dat hij als enige van het gezin goed kon leren, de MULO haalde, en daarna de HBS, en uiteindelijk zelfs op de universiteit terecht kwam. Zijn vader was marktkoopman, in manufacturen, maar wel een speciale. Hij was voorzitter van de Utrechtse marktliedenbond, en penningmeester van het landelijk bestuur, hij leerde zichzelf Engels.

Bram Querido was gek op voetballen. Getuigen zijn er niet van, maar zelf vond hij zichzelf een aardige middenvoor. Ze voetbalden vlakbij, op het Paardenveld, met het permanente gevaar dat de politie (vooral die agent met de bijnaam “De Neus”) de bal inpikte. In het doel stond de latere bokskampioen en boksarbiter Ben Bril. Hij kon volgens Querido niet keepen, maar wel goed stompen. Bram bracht het tot het elftal van de UPVB, de provinciale bond. Later, veel later, vanaf de jaren zestig, werd hij sportarts – bij het boksen (als ringarts naast arbiter Ben Bril, die ook in Westerbork heeft gezeten) en bij de plaatselijke eredivisieclub DOS, later FC Utrecht.

En zo zag ik hem in 1971 bedrijvig langs de lijn dribbelen, met zijn dokterstas, tijdens dat trainingskamp in Duitsland, het land van de vijand, dat zijn hele familie had uitgemoord maar hem er niet onder had gekregen.