Bert & Doris Gosschalk

Als Bert Gosschalk (1920) na de bevrijding als bewaker in kamp Westerbork aan het werk gaat, wordt hij al snel aangeklaagd voor de mishandeling van een NSB’er. In 1946 moet Gosschalk voor de rechter verschijnen.

Interneringskamp Westerbork, 1945.

Bert & Doris Gosschalk

Een kleine twee weken na de bevrijding kreeg kamp Westerbork een nieuwe functie. Op 23 april 1945 werden de eerste van ruim 8.000 NSB’ers, SS’ers en andere van samenwerking met de nazi’s verdachte personen het kamp binnengebracht. De leiding over de nieuwe gevangenen werd daarbij in handen gelegd van oude kampbewoners. Op dat moment bevonden zich er nog enkele honderden Joden in Westerbork die een stok in handen kregen gedrukt. Van gevangenen waren deze Joden opeens bewaker geworden.

Het gevolg laat zich raden. De Joodse kampbewoners kregen in dezelfde periode de eerste verschrikkelijke berichten over de vernietigingskampen in Oost-Europa te horen kregen. Ze botvierden hun gevoelens van frustratie en verlies op de ‘landverraders’. Enkele NSB’ers werden zo ernstig belaagd dat zij voor maanden in het ziekengedeelte van het kamp terechtkwamen. De meeste bewakers werden nooit op deze mishandelingen aangesproken: er waren geen getuigen, ze werden niet geloofd of de getuigen wilden niet op de voorgrond treden.

Een enkele bewaker daarentegen moest voor zijn of haar vermeende daden voor de rechter verschijnen. Dit gold bijvoorbeeld in het geval van de mishandeling van Jacob van Rooyen die in de zomer van 1945 had plaatsgevonden. Als verdachte van deze mishandelingen werd de Joodse Bert Gosschalk aangehouden.

De meeste bewakers werden nooit op deze mishandelingen aangesproken: er waren geen getuigen, ze werden niet geloofd of de getuigen wilden niet op de voorgrond treden.

De in Wijhe geboren Gosschalk was opgegroeid in Deventer waar hij in 1939 een baan in de vleesverpakkingsindustrie had weten te vinden. Kort na de inval van nazi’s dook Bert met zijn vrouw Doris (1922) onder. Na tegen betaling te hebben verbleven op verschillende adressen, betrokken Bert en zijn vrouw in 1943 een klein houten huisje in de bossen bij Deventer, waar Bert in contact met het lokale verzet kwam. Hier bleven zij onder erbarmelijke omstandigheden bijna anderhalf jaar ondergedoken.

In januari 1945 werden Bert en Doris op hun onderduikadres in Deventer opgepakt en naar de gevangenis van Apeldoorn gebracht. In maart 1945 volgde het vertrek naar Westerbork. Bert en Doris werden gescheiden en moesten apart van elkaar aan het werk. Na enkele dagen bij het crematorium te hebben gewerkt, werd Bert op een nabijgelegen boerderij te werk gesteld. In de eerste weken na aankomst in het kamp werd hij meerdere malen hardhandig verhoord.

Na de bevrijding kwam Bert in contact met enkele Nederlandse militairen in geallieerde dienst. Met hun hulp vertrok hij uit kamp Westerbork en sloot hij zich aan bij de nieuwe machtshebber, het Militair Gezag in Groningen. Na enkele dagen werd Bert vanwege zijn bekendheid met het kamp het verzoek gedaan om als leidinggevende bewaker voor de nieuwe gevangenen van het voormalige Durchgangslager te gaan fungeren. Het was in deze functie dat hij werd aangeklaagd voor de mishandeling van Jacob van Rooyen.

In de zomer van 1946 moest Bert Gosschalk voor de rechter verschijnen. De aanklachten die er tegen hem lagen, werden wegens gebrek aan bewijs volledig verworpen.

Eind jaren veertig emigreerden Bert en Doris Gosschalk-van Blankenstein naar de Verenigde Staten.