Alexander & Lotte Holländer

Na de Duitse inval worden Alexander Holländer (1903) en zijn vrouw Lotte (1909) met 150 anderen door politiemannen van Zeeland naar Frankrijk begeleid. Onder de geïnterneerden waren gedoopte Joden, communisten en, merkwaardig genoeg, zo’n vijftien hoge NSB’ers waaronder de bekende Meinoud Rost van Tonningen. Wat volgde was een bizarre tocht door België en Frankrijk.

Vluchtelingenkamp Westerbork.

Alexander & Lotte Höllander

Op 10 mei 1940 bevonden zich in het Sint-Joseph pensionaat in het Zeeuwse dorpje Sluis 115 Duits-Joodse vluchtelingen. Eerder waren zij in een vluchtelingenkamp in Hoek van Holland vanwege hun religieuze achtergrond gescheiden van een grotere groep met Duitse Joden.  Alhoewel door de nazi’s aangemerkt als Joods, hadden de 115 mannen en vrouwen in Sluis zich voor de oorlog laten dopen en waren zo tot het christendom bekeerd.

Op 16 mei 1940 – in Zeeland vocht het leger in tegenstelling tot de rest van Nederland door tot 26 mei – arriveerde  in Sluis een detachement Nederlandse politietroepen met 21 politieke gevangenen. Drie of vier waren communisten, de overige waren NSB’ers, waaronder de bekende leden Meinoud Rost van Tonningen en Henk Feldmeijer. Een dag later vertrokken onder leiding van een politieambtenaar – een zekere kapitein Molenaar – en zestig bewakers, de Duits-Joodse vluchtelingen met de gedetineerden in vrachtauto’s naar Frankrijk.

Aangekomen in het Noord-Franse Boulogne werden de 21 politieke gevangenen verwezen naar een interneringskamp en bij het naderen van de Duitse troepen gedwongen naar Calais te marcheren. Daar werden Rost van Tonningen en de zijnen door de Duitsers “bevrijd”; over de drie of vier communisten ontfermde de Gestapo zich.

De Joodse vluchtelingen bleven bij de grens tussen België en Frankrijk achter. De Franse regering weigerde de vluchtelingen vanwege hun Duitse achtergrond op te nemen en verplichtte ze terug te keren naar Nederland. Onderweg kwamen zij ten dele in de vuurlinie terecht. In doodsangst gaven de 115 Joden zich aan de Duitse militairen over en werden weer naar Sluis gebracht. Na een verblijf van enkele dagen werden ze op 1 juli naar de voormalige Rijkswerkinrichting in Hoorn gevoerd.

Ook daar zat de groep slechts korte tijd: op 17, 18 en 19 juli 1940 werden de meeste gedoopte Joden overgebracht naar kamp Westerbork.

Hun religieuze achtergrond, hun nationaliteit en hun functie zorgden er gezamenlijk voor dat zij de bevrijding in Westerbork meemaakten en niet met één van de laatste transporten – zoals de meeste Nederlandse gedoopte Joden – in september 1944 naar Theresiënstadt werden afgevoerd.

In de eerste periode na aankomst verbleven de 115 gedoopte Duitse Joden in Westerbork in aparte barakken, gedeeltelijk afgescheiden van de rest van het kamp. Alexander Höllander en zijn vrouw Lotte Höllander-Fuchs bewoonden een tweekamerappartement in barak 11, één van de toegewezen gezinsbarakken.

Als boekhouder van beroep wist de in Silezië geboren Höllander zich binnen enige maanden een belangrijke positie in Westerbork te verschaffen. Gedurende meerdere jaren werkte hij op de registratie en administratie: afdelingen waar ogenschijnlijk macht kon worden uitgeoefend over wie er wel en wie er niet op transport moesten. ‘De commandant kreeg de opdracht om een bepaald aantal mensen op transport te stellen en dat aantal moest koste wat het kost gehaald worden’, zo verklaarde Höllander kort na de oorlog aan medewerkers van het net opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). ‘Daarvoor werden vaak tien tot twintig procent meer personen op de lijst gezet dan nodig was. Er is door mensen op de registratie wel geprobeerd om het aantal op transport gestelde personen naar beneden te krijgen, maar vaak was dit praktisch onmogelijk.’ Vrouw Lotte Höllander was eveneens werkzaam binnen de registratie: binnen de groep met mensen die werkte aan de kampcartotheek was zij verantwoordelijk voor iedereen waarvan de achternaam met de letter S begon.

De overname van het kamp door de SD in juli 1942 leidde het einde van de fysieke scheiding tussen de gedoopte en niet-gedoopte Joden in. Het grootste deel van de Joodse christenen werd vrijgelaten, alleen de gezinnen waarvan één of meerdere leden niet voor 1940 officieel gedoopt waren – zoals mevrouw Höllander – moesten in het kamp achterblijven. Hun bijzondere positie behield de groep wel. Zo werden er protestante diensten in Westerbork gehouden – later kwamen er ook Nederlandse gedoopte Joden – en waren enkele van de betere baantjes voor christelijke Joden bestemd.

Verder betekende het voor de oorlog gedoopt te zijn, een voorlopige vrijstelling van transport. Dit gold ook voor Alexander en Lotte Höllander. Hun religieuze achtergrond, hun nationaliteit en hun functie zorgden er gezamenlijk voor dat zij de bevrijding in Westerbork meemaakten en niet met één van de laatste transporten – zoals de meeste Nederlandse gedoopte Joden – in september 1944 naar Theresiënstadt werden afgevoerd.

Na de bevrijding op 12 april 1945 moest de familie Höllander nog enige maanden in het kamp op de Drentse heide blijven. In een briefkaart aan een kennis in Amsterdam bespraken zij in het kort de reden voor hun achterblijven en de (mogelijke) plannen voor de toekomst:

‘Ik had zo gehoopt dat wij u spoedig in Amsterdam zouden kunnen ontmoeten, maar het is helaas nog niet zoo ver, want de staatenlozen worden tot nu toe nog niet uit het kamp ontslagen. Omdat wij geen onderdak in Amsterdam hebben, hebben wij als huisvesting voor het geval van ontslag Giethoorn opgegeven, maar wij willen niet gaarne daar naartoe gaan, omdat wij daar geen werk kunnen vinden en ook bevreesd zijn, dat ons staatenlozen later moeilijkheden in den weg worden gelegd bij veranderen van woonplaats.’

Alexander en Lotte Höllander verlieten eind juli 1945 kamp Westerbork.