Alfons & Lisbeth Strauss

De Duits-Joodse vluchtelingen Alfons Strauss en Lisbeth Sijman ontmoetten elkaar in kamp Westerbork, raakten verliefd en trouwden. Met medewerking van leerlingen Olav Petersen en Thijn Manning van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap in Stadskanaal.

Een huwelijk in kamp Westerbork.

Alfons & Lisbeth Strauss

‘Het huwelijk is een door burgerlijk of religieus recht geregelde samenlevingsvorm voor het leven die de fundering vormt van de meeste gezinnen en die meer in het algemeen van belang is als legaal en sociaal geaccepteerd fundament onder duurzame seksuele relaties en familieverbanden.’ Het is de betekenis die in de jaren veertig van de vorige eeuw aan het huwelijk werd gegeven en die vandaag de dag in zijn algemeenheid nog steeds geldt. Een monogame relatie tot de dood hen scheidt.

In kamp Westerbork gold gedurende de Tweede Wereldoorlog bij een gedeelte van de gevangenen een andere interpretatie van het begrip huwelijk. Ontrouw en echtscheiding kwamen in Westerbork vele malen vaker voor dan buiten het kamp. ‘Een zeventienjarig meisje krijgt een kind van een man wiens vrouw in Auschwitz is’, schreef Israël Taubes vlak na de oorlog. Het seksuele moraal was, aldus Hans Ottenstein, ‘zo als altijd onder abnormale toestanden, als remmen vallen, als mannen en vrouwen met elkaar opgesloten zijn onder omstandigheden, die haast niet meer doen denken aan de burgerlijke maatschappij, als iedereen voelt aan de rand te staan van het zijn.’

Toch kwam er in het kamp op de Drentse heide ook echte liefde voor, liefde die werd bezegeld met een verbintenis in de echt. Op 8 juli 1940 kwam de veertienjarige Lisbeth Sijman met haar ouders en broer Lejb in kamp Westerbork terecht. Ze ontmoette er de vijf jaar oudere Alfons “Fred” Strauss die evenals Lisbeth kort tevoren uit Duitsland naar Nederland was gevlucht.

‘Mijn man was in 1939 met het passagiersschip de St. Louis van Hamburg naar Cuba gevaren. Aan boord zaten honderden Duits-Joodse vluchtelingen die de eerste voortekenen van het nazisme op waarde schatten. Fred was negentien toen zijn vader en hij werden opgepakt en naar Buchenwald afgevoerd. Freds vader was een vermogend man en wist zijn zoon met een fors bedrag vrij te kopen.’

‘Mijn man was in 1939 met het passagiersschip de St. Louis van Hamburg naar Cuba gevaren. Aan boord zaten honderden Duits-Joodse vluchtelingen die de eerste voortekenen van het nazisme op waarde schatten. Fred was negentien toen zijn vader en hij werden opgepakt en naar Buchenwald afgevoerd. Freds vader was een vermogend man en wist zijn zoon met een fors bedrag vrij te kopen. Hij kocht een kaartje voor de St. Louis in de hoop dat zijn zoon een veilig heenkomen zou vinden. Maar het passagiersschip werd nog voor aankomst teruggestuurd en de opvarenden gedropt voor de Franse, Nederlandse en Engelse kust. Bij aankomst in Rotterdam ging Fred linea recta naar Westerbork. Zijn bezittingen – antiek, kleding, schilderijen, etc… – werden opgeslagen bij een veilinghuis in Amsterdam.’

Na verloop van tijd ontstond er tussen Lisbeth en Fred een relatie. Op 9 juli 1943 trouwden ze voor de burgerlijke stand in een kleine barak dichtbij de ingang van kamp Westerbork waar een afdeling van de gemeente Westerbork gevestigd was. Dezelfde dag volgde de choepa, de Joodse huwelijksceremonie. De Amsterdamse rabbijn Aron Schuster was in die periode een van de personen die een dergelijk ritueel in Westerbork kon uitvoeren. ‘Velen wilden niet ongetrouwd vertrekken en hebben erop gestaan om een choepa te krijgen. We hadden naar het kamp huwelijksakten meegenomen en verder zaken die nodig waren om een huwelijk te sluiten.’

Mede vanwege hun status als Alte Lagerinsassen (personen die al voor de overname van het kamp door de nazi’s in juli 1942 in Westerbork aanwezig waren) bleven Lisbeth en Fred tot de bevrijding van transport vrijgesteld. In juli 1945 mochten ze, bijna drie maanden na de oorlog en meer dan vijf jaar na hun aankomst, kamp Westerbork verlaten.

‘Na de oorlog – die geen van onze familieleden overleefde – zijn we naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Voor Fred was het verleden een gesloten boek, maar mijn rechtvaardigheidsgevoel bleef al die jaren overheersen. Na zijn dood in 1984, heb ik contact opgenomen met het Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims in Amsterdam. Fred zijn verzekeringspapieren, het ticket, alles had ik nog. Nu alleen nog de directie van de Hamburg-Amerika-lijn overtuigen. Na veel getouwtrek rolde er een bedrag van 9.000 dollar uit. Daar krijg ik mijn familie niet mee terug, maar mijn kinderen en kleinkinderen zullen er blij mee zijn.’