Alfred Glaser

Gepensioneerd journalist Sjoerd Post schreef een portret over Alfred Glaser, een Duits-Joodse vluchteling die lange tijd in huishouding van kampcommandant Gemmeker werkte. Na de oorlog emigreerde Glaser naar Israël.

Alfred Glaser.

Alfred Glaser

De Duits-Joodse vluchteling Alfred Glaser (26-12-1914) werd op 20 maart 1940 in het opvangkamp Westerbork opgenomen. Hij was afkomstig uit Leipzig en was een zoon van Emil Glaser en Cypre Mehr. Voor hij in Westerbork kwam verbleef hij in Veenhuizen (december 1938) en in Hoek van Holland (augustus 1939). Toen de Duitsers in mei 1940 kamp Westerbork overnamen werd hij op een gegeven moment aangesteld als bediende in de woning van kampcommandant Gemmeker. Hij dweilde daar de vloeren en poetste schoenen.

Glaser heeft een duidelijke mening over Elisabeth Hassel (Frau Hassel), de secretaresse en maîtresse van Gemmeker. Bij het Nederlands Instituut voor Oorlogs-,Holocaust-en Genocidestudies (NIOD) in Amsterdam zijn enkele processen verbaal van de gemeentepolitie Assen bewaard gebleven naar de gedragingen in de oorlog van een dertigtal bewoners van kamp Westerbork. Daarbij ook een verklaring van Glaser. Daarin zegt hij: ‘Ik heb Frau Hassel leren kennen als een zeer felle joden haatster. Zij deed volgens mij niets anders dan Gemmeker opstoken tot dingen die hij uit zichzelf niet zou hebben gedaan.’ Volgens Glaser bracht zij zaken die haar niet aanstonden in het kamp en die ze veranderd wilde zien onder de aandacht van de kampcommandant. ‘Vaak werden mensen dan een dag later gestraft.’ Glaser zegt in het proces verbaal geen concreet voorbeeld te kunnen noemen dat iemand door haar toedoen naar Polen op transport is gesteld, maar zegt er van overtuigd te zijn dat dit wel gebeurd is. ‘Zij heeft door haar ondergronds wroeten de dood van veel Joden op haar geweten.’

Huishoudster
Glaser komt ook voor in een interview met Betty Asch-Rosenthal, die huishoudster was bij de SS-kampcommandant Albert Gemmeker. Zij was als Duitse Jodin in 1933 naar Nederland gekomen en in 1940 getrouwd met een Duitse man. In 1942 kwamen ze aan in Westerbork. Na verloop van enige tijd werd zij uit de aardappelkeuken weggehaald en moest ze als huishoudster aan het werk voor kampcommandant Gemmeker. Betty werd eerst naar de woning van Gemmeker in Assen gestuurd en in januari 1943 ging zij met hem mee naar de villa in Westerbork. Over Gemmeker vertelt ze: ‘Hij was niet slecht, maar hij heeft zich daarvoor geleend. Hij heeft het gedaan, hij heeft de Joden weggestuurd.’ Volgens Betty Asch heeft hij op basis van zijn goed gedrag een lagere straf gekregen dan vergelijkbare figuren.

In het interview vertelt zij ook over bezoek van Aus der Fünten en andere kopstukken aan Gemmeker. Over Elisabeth Hassel (Frau Hassel), die ze dagelijks ontmoette, wilde Betty niets zeggen. Wel over Alfred Glaser: ‘Wij noemden hem ook wel Teddy. Op een dag zei Teddy: “Ik heb wel zin in champagne; heeft u dat?” Ik zei: “Ga zelf maar in de kelder kijken.” Toen hij de champagne had gevonden hebben we niet ieder een glas gedronken, maar de hele fles opgemaakt.’ Volgens Betty waren ze allemaal behoorlijk aangeschoten.

‘Wij noemden hem ook wel Teddy. Op een dag zei Teddy: “Ik heb wel zin in champagne; heeft u dat?” Ik zei: “Ga zelf maar in de kelder kijken.” Toen hij de champagne had gevonden hebben we niet ieder een glas gedronken, maar de hele fles opgemaakt.’ Volgens Betty waren ze allemaal behoorlijk aangeschoten.

Regelmatig moest Betty boodschappen doen in Assen en dan kreeg ze enorme hoeveelheden bonnen van Gemmeker mee. In de winkels gaf ze dikwijls wat van deze bonnen aan vrouwen die hun ogen uitkeken naar de enorme stapels bonnen die zij in handen had. Een bijzonder verhaal is dat zij op een dag Pirogge maakte, een Joods gerecht. ‘Toen Gemmeker aan tafel kwam zei hij: “Wass gibst denn heute?”‘ Betty vertelde hem dat ze Joods gekookt had. ‘Hij nam een hap en zei: “Lekker!”‘ Betty: ‘Hij was ook wel een aardige man en ik geloof dat hij op vele vrouwen grote indruk gemaakt heeft.’

Naar Israël
Alfred Glaser werd als kampbewoner op 12 april 1945 bevrijd. In het archief van het NIOD is een kaart bewaard gebleven die hij kort na de bevrijding vanuit Westerbork heeft gestuurd naar vermoedelijk een vriend, ene Werner Neuwahl in Amsterdam. De tekst luidt:

‘Wensch je geluk met jouw bevrijding. Ik ben gezond en hoop hetzelfde van jou en jouw ouders. Schrijf gauw. Veele groeten, Teddy.’

Alfred Glaser (Teddy) woonde na de bevrijding een tijdlang aan het Merwedeplein en aan de Prinsengracht in Amsterdam. Later emigreerde hij naar Israël. Hij is dan getrouwd met Jeanette Muller ( 22-08-1919) die eveneens in Westerbork is bevrijd. Zij werd in de oorlog met haar ouders ondergebracht in het Jodenviertel in Amsterdam. Haar ouders werden in 1944 naar Bergen-Belsen gestuurd. Moeder Muller is daar komen te overlijden en ook Jeanette ’s vader overleed in Bergen-Belsen, aan een longontsteking.

In het boek ‘Davidstern und Weihnachtsbaum, Erinnerungen van Überlebenden’ komt een ontmoeting voor met Afred Glaser in Israël. De auteur van het boek, Bernd-Lutz Lange, ontmoet Glaser in zijn woonplaats Kfar Monash, waar hij een delicatessenzaak heeft. Samen bespreken ze herinneringen aan hun geboorteplaats Leipzig. Glaser vertelt dat hij in zijn jeugd in Leipzig in twee werelden leefde. ‘Mijn ouders kwamen uit Polen en in de streek waar zij vandaan kwamen werd Pools en Jiddisch gesproken. Toch had ik ook goede vrienden die christen waren. Eén van hen heb ik zelfs nog benijd omdat hij bij de Hitlerjugend was. Die deden avontuurlijke trektochten met kampvuren. Op een dag vroeg hij aan mij: “Wat bid jij eigenlijk, zeg eens wat.” Toen heb ik enkele Hebreeuwse zinnen gezegd. Hij keek mij stomverbaasd aan.’

Glaser vertelt hoe zij in oktober 1938 naar het Poolse consulaat zijn gevlucht. Korte tijd later kwam de Kristallnacht en zijn in de winkel van zijn ouders alle ramen ingegooid. Glaser’s vader werd naar het concentratiekamp Oranienburg gestuurd. In januari 1940 kreeg zijn moeder bericht dat haar man overleden was als gevolg van een hartinfarct. Zijn moeder en zuster zijn gedeporteerd naar het getto Riga. Eenmaal in 1943 heeft hij via het Rode Kruis een brief van hen ontvangen. ‘Daarna heb ik nooit meer iets van hen gehoord.’