Baruch & Else Stein

Zonder het te weten is Klaas-Jan Bakker Baruch Stein (1890) en Else Stein-Schlesinger (1894) in zijn jeugd in Zaandam misschien wel eens tegen gekomen. Hij vraagt het zich af in deze geschiedenis van twee Joodse Zaankanters geschreven door een vroegere streekgenoot.

Baruch en Else Stein, staand links.

Baruch & Else Stein

Op weg naar school, begin jaren zestig kwam ik, komende vanaf de Zuiddijk, langs de Hanepadsluis. In die tijd werden er nog regelmatig dekschuiten met hout geschut. Dat hout kwam vaak uit Rusland en werd dan vanaf zeeschepen gelost op dekschuiten, die het dan weer verder brachten naar de werven in “het veld”. In dit geval onder andere de werf van Verweij aan het einde van het Sluispad, waar ooit de “Jonge Arnoldus”, heeft gestaan; een houtzaagmolen, net zo als de “Gekroonde Poelenburg” die nu op de Zaanse schans staat. De naam van de molen was er een waar een zekere verwachting uit sprak; “Er werd heel wat van de jonge Arnold verwacht”. Dat kwam meer voor, denk ook aan de molens “de Hoop” en “De Liefde”.

Dat schutbedrijf was natuurlijk vreselijk interessant en dan vergat je de tijd en bleef soms te lang kijken. Als je dan te laat op school dreigde te komen rende je het Hanepad naar beneden en dan links de Jonge Arnoldusstraat in, waar verderop de school was, in een poging om nog op tijd te komen.

Daarbij moet ik zonder het te weten ook langs het huis zijn gelopen waar zo’n twintig jaar eerder Bernhard Stein en zijn vrouw Else hebben gewoond. Het huis aan de Jonge Arnoldusstraat 126 staat er nog steeds, er wonen nu andere mensen. Deze straat maakte onderdeel uit van de nieuwbouw, de stadsuitbreiding, die daar begin jaren dertig was gerealiseerd. Tenminste; de school is rond 1930 gebouwd en zal onderdeel van dat plan zijn geweest.

Bernhard en Else Stein-Schlesinger waren daar in 1938 komen wonen. Zij kwamen via Amsterdam uit Spanje, waar in die periode de Spaanse burgeroorlog werd uitgevochten. Toen zij arriveerden moet de buurt nog een betrekkelijk jonge uitstraling hebben gehad, en wellicht hebben zij daar in het begin nieuwe hoop en verwachting uit geput. Bernhard en Else waren op dat moment al niet heel jong meer. Bernhard was geboren in 1890 en moet dus 48 jaar zijn geweest en Else was vier jaar jonger. Zowel Bernhard en Else waren van Joodse afkomst, beiden hadden Joodse ouders van beider zijde. Bernhard was geboren in Berlijn en was één van drie kinderen, en Else kwam uit Hagen, wat dichter bij Nederland is gelegen. Van Bernhard is bekend dat zijn ouders al vroeg, in 1918 zijn moeder en 1921 zijn vader, waren overleden. Van Else haar ouders is weinig bekend.

Bernhard moet 24 zijn geweest toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en het lijkt waarschijnlijk dat hij ook in de oorlog is geweest. Het is bekend dat Joden in die tijd meer dan gemiddeld als soldaat gediend hebben. Feitelijke informatie is daar echter niet over te vinden.

Vanaf 1950 had Baruch zijn bedrijf naar Amsterdam verplaatst. Wij, mijn ouders en ik kwamen daar nog wel regelmatig omdat daar een tante woonde. Mogelijk zijn wij toen, zonder het te weten, Baruch en zijn vrouw wel eens tegengekomen.

Hoe en waar het stel elkaar heeft leren kennen leert de overlevering niet. De indruk is dat zij toch voornamelijk op elkaar waren aangewezen. Ten tijde van hun transport naar Westerbork woonde zijn broer Martin in Zwitserland en Paul was al in Palestina. Het echtpaar had voor zover mij bekend geen kinderen.

Het moet een ondernemend stel zijn geweest dat toen het moeilijk werd niet bij de pakken neer ging zitten. Bernhard en zijn vrouw waren al in 1933, kort nadat in Duitsland Hitler aan de macht was gekomen, naar Barcelona vertrokken waar zij zes jaar hebben gewoond. In 1938 zijn zij daar weer vanwege het opkomend fascisme onder Franco, waarbij Barcelona werd gebombardeerd, gevlucht, en nu naar Nederland. Het feit dat zij geen kinderen hadden heeft het besluit om weer te vertrekken waarschijnlijk makkelijker gemaakt

Bernhard was “fabrikant”. Hij exploiteerde op zijn huisadres een “wattenfabriekje” genaamd Record, waar hij materiaal voor schoudervullingen en voor medische toepassingen maakte. Mogelijk had Bernhard oorspronkelijk een opleiding in de medische hoek. Zijn ondernemerschap, waarschijnlijk bedreef hij deze activiteit ook al voor dat hij naar Nederland kwam, heeft hem mogelijk naar de Zaanstreek gelokt waar al eeuwen industriële activiteit was. Fabricage aan huis was in die tijd niet ongebruikelijk, ook de familie van mijn schoonouders had in die tijd, ook aan de J. Arnoldusstraat, een leeratelier waar tassen en lederwaren werden gefabriceerd. Zij moeten enigszins schuin tegenover elkaar hebben gewoond. Het lijkt waarschijnlijk dat ze elkaar wel hebben gekend, maar dat is niet meer na te gaan. Bernhard was opgegroeid onder “gegoede” omstandigheden, zoals dat heette. Mogelijk dreven zijn ouders ook in Duitsland een bedrijf. Het is niet bekend hoe of waar hij zijn opleiding heeft genoten, maar een verdergaande opleiding was in zijn sociale kring niet ongebruikelijk.

Bernhard was een belijdende Jood zoals uit de stukken naar voren komt; hij werd lid van de Joodse gemeenschap in Zaandam en heeft daar meegeholpen met het organiseren van de viering van het 75-jarig bestaan van de synagoge in Zaandam. In 1939 is Bernhard bezig geweest met een aanvraag tot emigratie naar Palestina, waar zijn broer Paul, die daar al woonde, zich voor heeft ingezet. Het is ook in die periode dat Bernhard zich Baruch is gaan noemen. Van een visum voor Palestina is het aan de J. Arnoldusstraat niet gekomen. Op 3 februari 1942 werden Baruch en Else naar kamp Westerbork afgevoerd.

Zijn vrouw Else moet een doortastende vrouw zijn geweest. Ofschoon van haar persoon minder bekend is, weten we dat zij in Westerbork gediend heeft als barakkenleidster. Dat zij zich daar naar vermogen heeft ingezet om de last van haar mede kampgenoten te verlichten weten we gezien een bedankbrief van de Joodse Raad voor ‘onvermoeibare opoffering’. Baruch werkte in Westerbork bij de gezondheidsdienst. Zijn kennis van medische zaken, gezien zijn leverantie voor de oorlog van producten voor medische toepassing, maakte hem geschikt om voor het ziekenhuis te werken. Baruch en Else verbleven uiteindelijke meer dan drie jaar in Westerbork.

Na de oorlog is het stel weer teruggegaan naar Zaandam. Baruch en Else keerden terug naar hun oude buurt, niet in hetzelfde huis maar aan de Zuiddijk, voor zover dat valt na te gaan, naar het huis waar later de damesmodewinkel Van Schoen was gevestigd, op de hoek van de doorsteek naar de J. Arnoldusstraat tegenover het Skagerak. Baruch heeft vandaar uit zijn bedrijvigheid weer zo goed en zo kwaad als dat ging, opgepakt, samen met zijn compagnon Abraham Beer, die de oorlog ook had overleefd.

Een verklaring voor het feit dat zij dit overleefden en zoveel anderen niet, was mogelijk doordat zij geen zorg voor kinderen hadden en flexibeler in hun doen en laten waren. Ze konden zich makkelijker voegen naar de omstandigheden en waren daarmee inzetbaar voor een functie in het kamp. Verder heeft mogelijk het visum aanvraag voor Palestina nog een rol gespeeld. Een dergelijke status kon behoeden voor deportatie naar de vernietigingskampen.

Vanaf 1950 had Baruch zijn bedrijf naar Amsterdam verplaatst. Wij, mijn ouders en ik kwamen daar nog wel regelmatig omdat daar een tante woonde. Mogelijk zijn wij toen, zonder het te weten, Baruch en zijn vrouw wel eens tegengekomen.

Baruch overleed in 1961 op zeventigjarige leeftijd. Else moet hem in ieder geval nog 3 jaar hebben overleefd.