Bertha & Joela Heijmans

Bertha Heijmans (1943) werd met haar moeder Joela (1912) in januari 1945 naar kamp Westerbork gebracht. Ze haalt herinneringen op aan een door de oorlog verscheurde kindertijd.

Bertha in Roden, 1943.

Bertha & Joela Heijmans

‘Mijn ouders zijn elkaar in Raalte tegengekomen. Mijn vader zat daar bij de marechaussee. Mijn moeder was Joods, mijn vader niet. Dat leverde in die tijd nog wel eens scheve gezichten op. Ook binnen de familie. Toen mijn ouders wilden trouwen kregen ze van mijn grootouders van moeders kant, die vrij vroom Joods waren, bijvoorbeeld geen toestemming. Die toestemming, die toen nog noodzakelijk was, hebben ze uiteindelijk via Koningin Wilhelmina moeten regelen. Ze heeft in haar wijsheid besloten dat mijn vader en moeder alsnog met elkaar mochten trouwen.

Vlak voor de oorlog zijn mijn ouders in Roden gaan wonen, waar mijn vader een baan bij de politie kreeg. Hij was één van de weinige agenten in die tijd, die goed motor kon rijden. In de meidagen van 1940 moest hij daarom op de motor Koningin Wilhelmina begeleiden naar Hoek van Holland van waaruit zij vertrok naar haar veilige heenkomen in Engeland.

In 1942 werd mijn vader uit zijn functie ontslagen wegens hulp aan Joden. Omdat hij diep in het verzet zat, is hij samen met mijn moeder – zij vanwege haar Joodse afkomst – in mei 1943 ondergedoken. Op een onderduikplek op een boerderij in Nieuw-Roden ben ik in juli 1943 geboren. Ik was hun tweede kind. Een jaar eerder was mijn broertje Levi geboren, die door onbekende omstandigheden maar een paar dagen heeft geleefd. Mijn vader heeft hem begraven in Groningen.

Overdag waren mijn ouders na mijn geboorte kleren aan het spinnen, ’s nachts wandelden ze met mij in de bossen rond Nieuw-Roden. We zijn daar ook verraden. Vader is de dag voor kerst 1944 opgehaald. Mijn moeder en ik werden op een door paarden getrokken kar meegenomen. Voor ons liepen Duitse soldaten met een geweer. We kwamen terecht bij het hoofdkwartier van de beruchte bloedploeg Norg. Daar hebben we een tijdlang in een badkamertje opgesloten gezeten.

In het begin van 1945 zijn we naar Westerbork gevoerd, waar we in één van de barakken zijn ondergebracht. Overdag werkte mijn moeder in het weeshuis. Ze heeft in die maanden ook regelmatig stenen moeten sjouwen. In het kamp bestond een verschil in stand. De mensen met geld hadden het duidelijk beter en kregen dus beter eten. Als mijn moeder huilde, likte ik de tranen op om het zout binnen te krijgen.

Na de bevrijding kwam de ommekeer. Wij waren vrij, alhoewel we het kamp nog niet mochten verlaten, en (binnengebrachte) NSB’ers waren onze gevangenen. Deze nieuwe gevangenen werden hard aangepakt. Mijn moeder liet hen de toiletten schoonmaken met een tandenborstel, daar is ze toen ook op aangesproken.

Door bemiddeling mochten mijn moeder en ik in mei 1945 kamp Westerbork verlaten. We zijn opgevangen door de familie Scheepstra uit Roden, die daar aan de Brink een café hadden. Mijn moeder heeft daar als tegenprestatie in de huishouding gewerkt. Na verloop van tijd werd ons door de burgemeester een eigen woning toegewezen, de NSB-boerderij van Krijte, naast de melkfabriek. Daar hebben we gewoond totdat de familie Krijte hun huis weer opeiste. Wij gingen toen naar de Herenstraat 22.

In het kamp bestond een verschil in stand. De mensen met geld hadden het duidelijk beter en kregen dus beter eten. Als mijn moeder huilde, likte ik de tranen op om het zout binnen te krijgen.

De oorlogsjaren hebben bij mijn moeder een trauma veroorzaakt. Dit heeft denk ik ook te maken met de geschiedenis van mijn vader. Toen wij in december 1944 naar kamp Westerbork moesten, is hij in het concentratiekamp Neuengamme terecht gekomen. Aan het einde van de oorlog zijn de gevangenen daar met een Engelse boot opgehaald, de Cap Arcona, een schip dat nog mooier dan de Titanic moet zijn geweest. Ze zijn de Oostzee opgevaren. Op zee werd gezegd dat de mensen het schip moesten verlaten omdat het zou zinken. Mijn vader heeft dit niet geloofd en is met anderen achtergebleven. De boot is toen, zo gaat verhaal, door de Engelsen gebombardeerd omdat deze dachten dat het een oorlogsschip was. Of dit juist is weet ik niet, het dossier rond de Cap Arcona wordt pas in 2045 openbaar gemaakt. Mijn moeder heeft de dood van mijn vader eigenlijk nooit kunnen accepteren. Ze heeft nog jaren geld opzij gelegd voor eventuele kleding voor hem, voor als hij terug zou komen.

In 1949 zijn we naar Apeldoorn verhuisd. We hebben ons na de oorlog  nooit meer helemaal thuis gevoeld in Roden. Ik heb altijd het gevoel gehouden dat ze ons niet hadden terugverwacht uit Westerbork en dat er daarom een soort van haat tegen ons bestond. Ik ben een paar jaar geleden in Roden teruggeweest, maar voelde me er niet op mijn gemak. Of er nog altijd mensen met priemende ogen naar mij keken.

Het leven met een moeder met een oorlogstrauma is heel bepalend voor mijn eigen leven gebleken. Ik heb altijd zorgen om mijn moeder gehad over het verdriet en de eenzaamheid die ze met zich meedroeg. Ik heb het gevoel dat ik daarom mijn jeugd heb moeten missen: altijd was er die zware last. Mijn moeder is in 1992 overleden aan alvleesklierkanker, ook dat is haar niet bespaard gebleven.

Kamp Westerbork blijft voor mij voor altijd een beladen plek. Ik ben er ook nooit teruggeweest. Alles komt daar samen, het is zo bepalend voor mijn leven geweest dat de emotie daar gewoon te hoog ligt.’