Bob Zadok Blok

Bettie Jongejan leerde tijdens haar studie kampoverlevende Bob Zadok Blok (1928) kennen. Het bijzondere levensverhaal wat Bob haar te vertellen had, was voor Bettie een stimulans om te gaan solliciteren bij Stichting Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen.

Bob Zadok Blok in 2007

Bob Zadok Blok

Een vluchteling in eigen land. De Joodse Bob Zadok Blok ervoer het aan levende lijve tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als tiener zat hij ondergedoken op meer dan veertig adressen in Midden- en Zuid-Nederland. Een tiental plaatsen somt hij moeiteloos uit zijn blote hoofd op: Hilversum, Maren, Lithoyen, Oss, Nijverdal, Schaik, Utrecht, Amsterdam, Zwolle, Almelo. Blok: ‘Ik ben acteur geweest en speelde mijn rol goed. Drieënhalf jaar leefde ik onder alias van Eddy Werkhoven. Die raakte ik niet kwijt. Na de oorlog heeft het jaren geduurd dat ik weer Bob Zadok Blok heette.’

Ruim acht jaar geleden volgde ik als studente geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen het college “Interviewen voor historici”. De opdracht: oral history-interviews vastleggen van oud-kampgevangenen van kamp Westerbork. Mijn vriendin en medestudente Manon Harms en ik werden gekoppeld aan Bob Zadok Blok, woonachtig met zijn partner Gonnie en hond Mosje in Almere.

Blok – toentertijd 78 jaar – was allerminst een man die achter de geraniums zat. Met een heldere stem en vol bevlogenheid praatte hij over alles wat hem bezighield. Als voorzitter van Stichting Hulplijn Oorlogsslachtoffers, kreeg hij jaarlijks tussen de 1.500-2.000 telefoontjes van oorlogsslachtoffers die hun verhaal kwijt wilden. ‘Dan zit ik alleen maar te luisteren, laat ik ze uitpraten en bel ik ze een paar dagen later weer op en vraag dan: heeft het je een beetje geholpen, dat je je verhaal kwijt kunt? En dan hoor ik dat ze er blij om zijn. Dan heb je het goed gedaan.’

Het duurde lang voordat Blok zijn eigen ervaringen kon plaatsen om vervolgens ook anderen te helpen. Binnen zijn familie- en kennissen kon hij zijn verhaal niet kwijt. Jarenlang ging hij in therapie bij psychiater Colthof in Den Haag. Zijn moeder had teveel verdriet en kon er niet over praten. Zijn broertje zei altijd: ‘ik heb niets meegemaakt.’ Een oom die bij de Joodse Raad zat en ook terugkwam toonde eveneens weinig medeleven: ‘snotneus, wat heb jij nou meegemaakt?’

Kort na de oorlog stond hij vele dagen op het perron van Station Holland Spoor zijn familie op te wachten, in de hoop dat ze terug zouden komen. Tevergeefs. ‘Wisten we veel van Auschwitz, ja, we hadden er wel van gehoord, maar niet dat het zo erg was.’ Blok verloor door de oorlog bijna 130 familieleden. In de eerste plaats zijn vader, die omkwam in Mauthausen. Zijn grootouders, van moeders kant. Maar ook vele ooms en tantes, nichten en neven, ‘Mensen verdwenen in het hiernamaals’, verzuchtte Blok. ‘Nu praat ik er makkelijk over, maar dat is maar betrekkelijk hoor, want de tranen zitten ook in mijn ogen.’

Gezin

Bob Blok genoot naar eigen zeggen een heerlijke jeugd. De broers kregen een liberale opvoeding. ‘Vader liet ons vrij, al ben ik op mijn 13e jaar bar mitswa geworden. Hij hield mij altijd voor: denk er goed aan: accepteer niet elke straf. Vraag jezelf af: verdien ik dat nou, die straf? Zo werd ik groot gebracht. Dat geeft je toch een heel vrij gevoel, om je eigen mening te kunnen vormen.’

Bob’s ouders Jacob Zadok (Jaap) Blok en zijn vrouw Sara (Sari) Blok-Rozenboom kwamen oorspronkelijk uit Groningen, uit de Folkingestraat. Bob was de oudste zoon, twee jaar later volgde Leo. Vader zat in de confectie-industrie, en de familie streek uiteindelijk in Rijswijk neer. Vader Blok werkte bij het herenconfectiebedrijf Gazan in Den Haag.

Jaap Blok was een man met veel sociale activiteiten. In Rijswijk vervulde hij functies in verschillende verenigingen en comités en was hij lid van de Vrijwillige Reserve Politie. Hij was ook fanatiek sportman. Zo was hij aanvoerder van het elftal van Gazan en lid van de ‘s-Gravenhaagse Biljartclub. Hij bokste, schermde en beoefende judo. Zijn prestaties haalden menigmaal de kranten.

Op 10 mei 1940 aanschouwde de familie het begin van de oorlog op het dak van hun woning aan de Vondellaan in Rijkswijk. In het vroege ochtendgloren zagen ze grote vliegtuigen met hakenkruizen overvliegen op weg naar vliegveld Ypenburg. Vol afschuw bekeken ze het bombardement van een afstand. Bob rende naar de radio en volgde het nieuws op de voet: ‘Ik was inmiddels twaalf en in die tijd heel bijdehand. Ik kon vreselijk goed leren. Mijn vader had altijd gewild dat ik advocaat werd. Dan kon ik hem met zijn bedrijf helpen.’

Oorlog

Bij het uitbreken van de oorlog werd vader Jaap Blok als vrijwillig politieman opgeroepen om te assisteren bij de arrestatie van verdachte Duitsers en NSB’ers. Dit bleef na de capitulatie niet zonder gevolgen. Jaap was bekend in Rijswijk en bovendien was zijn naaste buurman lid van de NSDAP. Het gezin reed per auto naar IJmuiden om per schip of vissersboot het bezette Nederland te verlaten. Het mislukte, en ze keerden onverrichte zake weer terug naar Rijswijk.

Tussen juni 1940 en september 1941 werd vader Blok tot driemaal toe gearresteerd maar steeds na korte tijd weer vrijgelaten. Na de derde keer dook hij onder, maar toen er geen nieuwe arrestatiepogingen volgden, ging hij na een paar maanden terug naar huis. Op 30 december 1941 kreeg het gezin het bevel binnen achtenveertig uur hun woning in de Vondellaan te ontruimen. Per handkar verhuisden zij tijdens de jaarwisseling naar de Anna Paulownastraat in Den Haag.

Blok ontkende de beschuldigingen in alle toonaarden: ‘Ich bin kein Jude’, maar toen hij zich moest uitkleden, ontdekte de Sicherheitspolizei dat hij besneden was en trok zijn conclusie

Op Hemelvaartsdag 1942, een vrije dag, en vrije dagen werden in de familie Blok altijd gezellig begonnen, ging om acht uur ‘s morgens de bel. Enkele minuten later vertrok Jaap Blok voor de laatste maal. Hij werd overgebracht naar het Oranjehotel in Scheveningen. Vanuit de gevangenis schreef vader nog een briefje. Hij schreef dat alles goed ging, en verzocht de familie om schone was op te sturen, Davitamonvitamines en snoepgoed als drop en pepermunt. Ook was er een persoonlijke boodschap voor zijn jongens: ‘En nu Bob en Leo, komen jullie aan de beurt, zorg goed voor Mammy hoor! Doe goed je best op school en vergeet pappie maar tijdelijk hoor!’

Vanuit Kamp Amersfoort werd Jaap op 27 juni 1942 op transport gesteld naar Mauthausen, waar hij nog geen twee weken later, 38 jaar oud, om het leven kwam. Niet lang daarna ontving de familie zijn overlijdensbericht. Volgens Duitse lezing was de doodsoorzaak longontsteking, maar dat is wel het laatste wat zoon Bob gelooft. ‘Daar was hij veel te sterk voor.’

Zijn moeder en broertje waren helemaal van slag, Bob probeerde zijn hersens bij elkaar te houden. Moeder belde vervolgens Joop van Naarhuid uit Hilversum op, een vriend van vader. Hij sommeerde het gezin om drie koffers te pakken en klaar te staan. De onderduikfase begon.

Onderduik

Na Hilversum vertrok de familie naar het kleine katholieke Maren. Ze namen intrek in het scheepscafé van Drieka de Man. Ze maakten de dorpelingen wijs dat ze een protestantse familie uit Rotterdam waren, ontheemd door de bombardementen. Pastoor Kox leerde Bob om zich als katholiek jongetje te gedragen. Blok is het daar nog altijd dankbaar voor, want het betekende een prima dekmantel voor de toekomstige onderduikplekken.

Lang kon het gezin daar niet blijven, ze gingen door naar Oss. Door bemiddeling van Louis de Bourbon, burgemeester in het verzet, vond de familie een plek bij twee secretaresses. Urenlang moest de familie Blok hun plas ophouden als de dames uit werken gingen. Ze namen een valse identiteit aan. Bob werd Eddy, Leo werd Dick, en Sari heette Irene.

Het gezin Blok bleef niet bij elkaar. De broers kwamen in Schaik terecht, op een boerderij. Bob sliep samen met Leo in een bed. Door alle spanningen plaste Leo regelmatig het bed nat. Het zeiltje waren ze vergeten in Oss, zodat Bob de lakens en matras ging luchten. Boerin Marie bemerkte de toestand, en een paar dagen later werd Leo weggehaald. Bob bleef alleen over.

Bob Blok paste zich aan het boerenleven aan. Hij molk de koeien en hielp met het afrasteren van het weiland. Toen boer Theo hem vroeg om met een kruiwagen een rol prikkeldraad te halen, weigerde Bob de opdracht. Veel te zwaar voor een persoon. Theo barstte in woede uit: vuile rotjood, sodemieter toch op! Toen knapte er iets bij Bob. Halsoverkop pakte hij zijn koffer in en liep naar het station in Oss. De geschrokken boerenfamilie lichtte het verzet in, en Bob werd per trein naar Utrecht gebracht, waar hij in een studentenhuis terecht kwam waar vanuit verzetsactiviteiten werden ondernomen.

Kamp Westerbork

Blok belandde daarna in Zwolle en dook onder op de zolder van een advocaat. Ed van Thijn zat op dezelfde plek ondergedoken. Daarna woonde Blok op vijf verschillende adressen in Almelo, onder andere in een confectiefabriek. Op 15 januari 1945, ging het uiteindelijk toch mis. Bij een controle van persoonsbewijzen liep hij tegen de lamp en moest mee naar de gevangenis. Blok ontkende de beschuldigingen in alle toonaarden: ‘Ich bin kein Jude’, maar toen hij zich moest uitkleden, ontdekte de Sicherheitspolizei dat hij besneden was en trok zijn conclusie. Op 22 februari werd Bob naar kamp Westerbork overgebracht.

Onderweg moest de wagen nog stoppen vanwege een overvliegende Spitfire. De bestuurder en de Duitse bewakers doken in de berm en lieten de gevangenen geboeid in de auto achter. Het liep goed af. Bij aankomst werd Blok kaalgeschoren, inclusief het haar van zijn borst. Hij kreeg intrek in de strafbarak en moest batterijen pellen. Hij raakte bevriend met Bram van der Sluis, violist van het Rotterdams Kamerorkest en vond ook zijn jeugdvriend Mark Hart, van de padvinderij.

Blok liet zich niet kleineren door de bewakers. ‘Wij weigerden te salueren en moesten voor straf op de exercitieplaats in de grote sneeuwprut hinlegen en aufstehen. Je werd op een vreselijke manier gekleineerd, maar ze hadden niets bij mij in te brengen.’

Blok wachtte de bevrijding van kamp Westerbork niet af. Op 7 april keek hij uit zijn barak en zag tot zijn verbazing dat er geen bewaking stond bij de slagbomen. De jonge mannen, allen in goede conditie probeerden het erop te wagen. ‘Als de sodemieter renden we langs de slagbomen. Levensgevaarlijk, ook voor de bewoners van het kamp zelf, maar op dat moment gaat er niets anders door je hoofd dan alleen jij. Iemand van de kamppolitie probeerde mij tegen te houden, maar ik was niet tegen te houden.’

Via slootjes en weggetjes vlogen de kale jongens in gevangenistenue zuidwaarts naar Beilen en verder zuidwaarts, hun vrijheid tegemoet. Ze sliepen in bermen en hooibergen. Uiteindelijk bereikten ze de Amerikanen, die hen naar bevrijd gebied brachten.

Vrij snel na bevrijding vond Bob zijn broertje in Joure, die op de stoep een emmer met aardappels zat te jassen. ‘Ik ging er naar toe en zei: “ben jij Dick Blok?” Toen zei hij: “ja, hoe dat zo?” Hij schrok natuurlijk een beetje. Ik zei: “zie je niets bekends?” Nee. Ik zei: “ik ben je broer.” Nou, en toen was het hek van de dam natuurlijk. We huilden van blijdschap.’ Zijn moeder vond hij uiteindelijk in Amsterdam. ‘Ik zie haar nog aankomen. Ik stond bovenop het balkonnetje, ook bij verzetsmensen, en toen kwam mijn moeder met de fiets aanrijden. Nou, traantjes dus!’

Moeder en Bob bezochten hun huis aan de Anna Paulownastraat in Den Haag. Het was leeg. In bewaring gegeven spullen kregen ze evenmin terug. Blok kreeg na de oorlog een baan in het confectieatelier Gazan in Den Haag. Over de oorlog werd niet meer gesproken.

Als vicevoorzitter van de stichting Nederland Tolerant Max Drukker gaf Bob Blok op scholen in het hele land gastlessen over oorlog, discriminatie en rassenhaat. ‘In het Herinneringscentrum Kamp Westerbork werd mij de vraag gesteld wat ik zou meenemen in mijn koffer. Toen zei ik: ik had twee broeken over elkaar aan toen ik ging onderduiken. Waarom: van een broek kan ik niets leren, van een boek wel. Dus die broek kan eruit, het boek erin! Daar kon ik van leren, dat vond ik het belangrijkste van alles.’