Bram & Jeanette Muller

Zijn talent als timmerman zorgde ervoor dat Bram Muller (1921) én zijn zus Jeanette (1919) kamp Westerbork overleefden. Bram ontsnapte in 1944; Jeanette maakte in het kamp de bevrijding mee. Hun verhaal is opgetekend in het boek “Carla en Bram. Hun leven opgetekend” van Fiet van Rooy-Trienekens.

De timmermanswerkplaats van kamp Westerbork.

Bram & Jeanette Muller

‘Natuurlijk wisten wij thuis al lang van tevoren dat er problemen aankwamen, toen de oorlog begon. Mijn vader was niet voor niets gestopt met werken in Duitsland. Ook wisten wij genoeg van de treurige geschiedenis van de Poolse Joden, vanaf september 1939. Wij hebben er veel over gepraat en mijn ouders beseften dat vooral mijn broer en ik gevaar liepen. In mei 1940 zijn wij echter niet op het idee gekomen om nog gauw even met een boot naar Engeland te vluchtten. Ook wij dachten dat Nederland neutraal zou blijven.

De dag kwam dat ik me moest melden voor de arbeidsinzet. Merkwaardig was dat wel, want ik had een vaste baan en mijn werkgever had geen plannen om mij te ontslaan. Meestal werden werkloze Joden opgeroepen. Op deze manier hebben de Duitsers misschien de nog werkende Joden rustig willen houden. Mij hielp dat niets; ik had gewoon te gaan. Bovendien bleek later dat het niet alleen ging om werkloze Joden maar ook om degenen die werkloos zouden worden door de Duitse maatregelen.

Begin april 1942 kwam ik in het kamp Kremboong, nabij Hoogeveen, terecht. Ik vond het er vreselijk. Het eten was slecht en het werk zwaar. Eigenlijk hadden we nog geluk dat we aan het eind van een bar koude winter daar aankwamen. De grond was nog bevroren en we konden geen spa in de grond krijgen. Natuurlijk kwam er toch nog een voorjaar,een zonnetje en temperatuursverhoging en we moesten aan het werk. Het bos was er al eerder gerooid. We moesten grond omspitten, dagenlang, een bepaald aantal meters per dag of kilometers per week, ik weet het niet meer.

Werkkamp Kremboong.

Op een ochtend, in juli 1942, hoefden we niet naar ons werk. We moesten onze spullen inpakken en binnen blijven totdat we het bevel kregen, af te marcheren. We werden opgehaald door een groep Nederlandse marechaussees en kregen te horen: “Denk erom, onze geweren zijn met scherp geladen en wie vlucht wordt doodgeschoten!” Wij moesten naar Westerbork, lopend, een kleine 20 kilometer. Op zich geen probleem, maar de marechaussees om je heen en de opmerkingen die gemaakt werden, deden ons voelen dat het absoluut menens ging worden. Niemand heeft geprobeerd om te ontstappen.

Aangekomen in Westerbork werden we geregistreerd en kregen we een slaapplaats aangewezen. We waren er bepaald niet alleen. In Westerbork waren hele gezinnen, op dat moment voornamelijk nog steeds uit andere landen naar Nederland gevluchte Joden. Die duizenden mensen maakten grote indruk op mij. Als Amsterdammer was ik wel aan drukte gewend, maar in Westerbork werd het nooit helemaal rustig. Al die mensen, al die talen!

Op 15 juli 1942 werd de eerste groep Joden uit Nederland naar Polen gedeporteerd. Zij vertrokken lopend uit het kamp; ik heb hen zien gaan. Zij wisten niet waar ze heen gingen, wat er boven hun hoofd hing. Mijn ouders zijn in 1944 naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Op een dag zijn ze daar van elkaar gescheiden. Mijn moeder was twee jaar ouder dan mijn vader en viel in een leeftijdsgroep, die naar Theresienstadt moest vertrekken. Ze was net geen zestig jaar en mocht daar niet blijven. Zij is naar Auschwitz doorgestuurd. Daar is zij op 11 oktober 1944 vermoord. Zij was 59 jaar. Mijn vader bleef in het concentratiekamp Bergen-Belsen en is daar aan een longonsteking overleden. Hij was 57 jaar.

Vrij snel na mijn aankomst in kamp Westerbork werd bekend gemaakt dat we ons konden aanmelden voor bepaalde arbeidscommando’s. Met name timmerlieden hadden ze heel hard nodig. De barakken stonden er wel, maar moesten nog afgewerkt worden. De deuren moesten in de kozijnen gehangen worden, de ramen afgesteld, de dorpels geplaatst. Ook moesten stapelbedden en kasten getimmerd worden. Kortom, voor een timmerman werk genoeg.

Bovendien, toen mijn ouders, broer en zus in 1943 in het kamp kwamen, werden zij “gesperrt” wat betekende dat zij voorlopig niet op de vertreklijst zouden komen. Alleen omdat ik in de timmerploeg zat! Mijn zus Jeanette heeft op die manier Westerbork overleefd.

Op één of andere manier had ik best plezier in mijn werk. We hadden inmiddels bewezen dat we konden timmeren en dat wij ook moeilijkere klussen konden klaren. Bovendien, toen mijn ouders, broer en zus in 1943 in het kamp kwamen, werden zij “gesperrt” wat betekende dat zij voorlopig niet op de vertreklijst zouden komen. Alleen omdat ik in de timmerploeg zat! Mijn zus Jeanette heeft op die manier Westerbork overleefd. Een paar jaar na de bevrijding is zij naar Israël gegaan, waar zij trouwde. Ze heeft twee kinderen gekregen.

Het lukte ons als timmerlieden na enige tijd om iets voor onszelf te “organiseren”. Dit woord is in de oorlog ontstaan en betekende: ritselen, iets naar je toe laten komen. Zo gebruikten wij bijvoorbeeld hout en hielden de stukken van planken achter, waarvan wij broodplankjes maakten. Dat was in Westerbork een zeer gewild artikel, omdat de bewoners hompen brood kregen. We ruilden broodplankjes tegen brood of ander eten of tegen sigaretten.

Omstreeks 5 september 1944 moest een complete werkploeg zich klaarmaken om een woning voor een kopstuk van de Partij in het dorp Nieuwkoop te gaan opknappen. Ik had een volle gereedschapskist bij me en ook wat kleding, want we zouden daar enige weken aan het werk zijn.
Tja… Nieuwkoop! Maar 25 kilometer van Amsterdam. Op de fiets een uurtje. Ik heb het risico genomen van te vluchten, in de hoop dat mijn zus er geen schadelijke gevolgen van zou hebben. Natuurlijk had ik mijn Jodenster afgedaan en ik nam gewoon de bus. Onderweg kwam ik een vriendin van mijn ouders tegen, bij haar ben ik ondergedoken. Een paar maanden later maakte ik daar de bevrijding mee. Mijn zus is in Westerbork achtergebleven – de laatste transporten waren al vertrokken – en daar op 12 april 1945 door de Canadezen bevrijd.’