Carolien Kats

Finy Stulemeijer schreef een bijzonder portret over haar moeder, Carolien Kats (1920), die in de onderduik lang uit handen van de nazi’s wist te blijven.

Carolien Kats.

Carolien Kats

‘Mijn moeder Carolina Kats werd geboren op 30 september 1920 in het Drentse Beilen.
Zij was het eerste kind van Samuel Kats en Philippine Looper. Drie jaar later werd haar broer Salomon, roepnaam Salco, geboren. Het gezin woonde op Kruisstraat 2, van waaruit Samuel handelde in manufacturen. Carolina (roepnaam Carolien of Caro) beleefde er tot haar zestiende gelukkige jaren. In februari 1937 overleed haar moeder vrij onverwacht aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking. Carolien zat in de examenklas van de plaatselijke MULO maar kon helaas geen examen doen omdat ze vanwege het overlijden van haar moeder thuis de huishoudelijke taken moest overnemen. In 1938 hertrouwde haar vader met Duifje Kropveld uit Beilen.

Mijn moeder wilde haar vleugels uitslaan en niets liever dan weg uit Beilen, ze wilde naar de grote stad. In 1941 vertrok zij naar Amsterdam. Zij voelde blijkbaar toen nog geen enkele dreiging. Ze ging er wonen bij een Joodse familie op de Willemsparkweg, waar ze als kindermeisje werkte. Haar vader en stiefmoeder doken in juli 1942 onder op de boerderij van de familie Schra in Lieving, een buurtschap bij Beilen. Ze werden hierbij geholpen door Nico (Niek)Viëtor, chef veldwachter en later hoofdwachtmeester van politie in Beilen.
Viëtor was de spil van het verzet in Beilen en omgeving. Alle Beiler Joden (12) die de oorlog overleefden door onder te duiken, hebben hun leven voor een belangrijk deel aan hem en zijn vrouw Lien te danken. In augustus 1942 kwam ook Salco bij de familie Schra. Caroliens vader wilde dat mijn moeder terug zou komen naar Beilen. Niet lang daarna is Niek Viëtor haar gaan halen in Amsterdam.

Carolien in augustus 1938.

De eerste nacht terug in Beilen sliep mijn moeder bij de familie Viëtor die toen op Brinkstraat 50 in Beilen woonden, boven de winkel van Denneboom. De volgende dag werd ze naar de familie Koning aan de Linthorst Homanweg 19 gebracht. Ze was daar heel ongelukkig. Opgesloten op een klein kamertje zonder verwarming, bracht ze het grootste deel van de tijd in bed door. In 2002 vertelde ze aan Anne de Vries jr. dat deze familie doodsbang was vanwege het feit dat ze haar in huis hadden. Toen hun dochter eind 1942 ging trouwen moest ze daar weg.
Tot haar vreugde kwam ze weer terug bij het echtpaar Viëtor, waar ze een hele goede band mee had. Niek, zijn vrouw Lien en hun dochtertje Coby woonden toen inmiddels aan de Julianastraat 12 (toen Koorstraat 12, Juliana was niet erg populair bij de bezetter) in Beilen.
Daar is ze 15 maanden gebleven.

Omdat op 11 maart 1944 Hendrik Huizing, de leider van het Beiler politiekorps, door het verzet was geliquideerd, moest het gezin Viëtor zelf onderduiken. Mijn moeder werd in allerijl naar dominee Heersink in Drijber gebracht. Na een kort verblijf daar werd ze vervolgens door Klaas Westerbeek, de plaatsvervanger van Niek in het verzet, op de fiets naar de boerderij van Schra gebracht waar haar ouders en broer nog steeds zaten.

In juni 1944 maakte een dreigende inkwartiering van de Duitsers het onmogelijk voorde familie Kats om nog langer bij de familie Schra te blijven. Hierover vertelde ze in juli 2002 aan Anne de Vries jr. het volgende:

“Op een gegeven moment kwamen daar Duitsers. Wij zaten beneden en wij zagen ze al aankomen op de oprit. Want ze hadden ganzen, nou die zijn nog waakzamer dan een hond en die gingen tekeer! Nou, wij naar boven, en toen luisterde ik boven aan de trap: ‘Ja, wij wollen wel even ’t hoes zien.’ Ze spraken een beetje steenkolen-Nederlands. Ik zei: ‘Wegwezen!’

En toen hadden we één geluk, dat de eerste twee voeren hooi waren net binnengebracht die dag, op de stal. Dus toen zijn we op dat hooi gesprongen, vanaf de zolder, en via dat hooi naar buiten, de korenvelden in. En ik weet ook nog, ze hadden daar een herdershond, Tommie. En die kwam steeds naar dat roggeveld waar wij in lagen.

Ik zat maar en ik zei: “Bied ze maar geld.” Mijn vader had helemaal geen geld, ons geld moest toen allemaal zogenaamd ingeleverd worden. Maar hij had wel tafelzilver en een briljanten collier; dat was het verlovingscadeautje van mijn vader aan mijn eigen moeder, dat had hij meegenomen voor de onderduik. Ik zei: “Geef ze dat collier maar!” Nou, alle gekkigheid kraamde je eruit.

Op een gegeven moment kwam de zoon, Koop: “Kom maar, ze zijn weer weg.” En mijn broer was helemaal niet te vinden, die is heel ergens anders heengevlogen, die kwam pas ’s avonds om een uur of acht weer opduiken. Die was helemaal het kanaal over gevlogen en in Holthe beland.”

Carolien en Salco in november 1944.

Carolien en de anderen werden allen door Anne de Vries sr. (de schrijver en verzetsman) naar de boerderij van Lammert Zwanenburg aan de Beilervaart 80 gebracht. Haar ouders gingen na een paar dagen naar de boerderij van Jan Oosterveen, niet ver van Zwanenburg. Carolien en haar broer Salco bleven bij Zwanenburg.

Bij Zwanenburg zaten diverse onderduikers. Ook sliepen er vaak mensen van het verzet en werd er onderdak geboden aan neergeschoten Engelse en Amerikaanse piloten. Ook Geesje Bleeker, een verraadster, was daar door het verzet ondergebracht. In plaats van haar te liquideren hadden ze besloten om haar bij Zwanenburg als het ware gevangen te zetten om haar in de gaten te kunnen houden. Zij had in Noord-Nederland een zeer kwalijke rol gespeeld en zou later nog meer verraad plegen. Door haar verraad hebben meer dan vijftig mensen uit het verzet de oorlog niet overleefd. Ze werd na de oorlog ter dood veroordeeld. Dit werd later omgezet in levenslang en in 1960 kreeg ze gratie. Maar mijn moeder heeft aan dezelfde Geesje in zekere zin haar leven te danken. Op 18 oktober vond er een grote inval plaats bij Zwanenburg.

“Toen kwam die grote inval, toen hebben ze de boerderij omsingeld met mitrailleurs. Die nacht was er toevallig niemand, want we hadden altijd wel wat van het verzet bij ons daarboven. Maar die nacht was ik alleen met Salco. Alle andere onderduikers sliepen onder de grond, in een kamer. Daar gingen ze ’s avonds in, door een luik onder een opklapbed. Alleen mijn broer en ik sliepen altijd in dat hol dat ze in het hooivak hadden gemaakt. En als we er dan in lagen, haalde Zwanenburg de ladder weg. Die nacht was het opeens een herrie en een gevlieg over de stal. En het licht brandde, dus door wat spleetjes kon je naar beneden kijken. Daar stonden ze met een geweer in de kamer. En toen opeens was het muisstil, en pikdonker. Ik zei tegen Salco: ‘We zitten mooi in de puree. Hoe komen we hier uit!’ Maar op een gegeven moment hoorde ik: ‘Psst, Katje! Katje!’ Dat was Gé. Ze noemden mij altijd Katje, dan konden ze nooit m’n naam verraden; Gé wist ook niet anders dan dat ik Katje heette. ‘Katje, Katje!’ Nou de ladder d’r onder en wij d’r uit, Salco en ik. De andere onderduikers waren allemaal al weg, die waren al naar Oosterveen; die had ze d’r eerst naartoe geloodst. En een uur later ongeveer waren wij aan de beurt.”

Bij Oosterveen kon Carolien maar kort blijven omdat er te veel onderduikers waren, waaronder haar ouders. Ze werd samen met Salco en Geesje Bleeker door Klaas Westerbeek opgehaald en naar zijn buurman, de fotograaf Henk Kuiper gebracht, die ook in de Brinkstraat in Beilen woonde. Het huis van Kuiper was schuin tegenover hun eigen huis dat aan de Kruisstraat/hoek Brinkstraat stond. Geesje Bleeker moest daar snel weg, omdat mevrouw Kuiper haar niet vertrouwde. Later kwamen ook haar ouders bij de familie Kuiper.

In januari 1945 moesten ze ook daar weer vertrekken. Haar ouders en Salco werden ondergebracht bij Jan Veenstra in de Hekstraat in Beilen, en Carolien werd door politieagent Schuldink naar Jochem Dekker gebracht, die in een klein boerderijtje woonde in Boterveen, in de gemeente Dwingeloo.

Die nacht was het opeens een herrie en een gevlieg over de stal. En het licht brandde, dus door wat spleetjes kon je naar beneden kijken. Daar stonden ze met een geweer in de kamer. – En toen opeens was het muisstil, en pikdonker. Ik zei tegen Salco: “We zitten mooi in de puree. Hoe komen we hier uit!”

Eind februari kwam daar een inval van de SD en enkele landwachters. Ze kon geen kant meer op. Het boerderijtje lag in het open veld, nergens een plekje waar je kon schuilen. Toen een SD-er naar haar Ausweis vroeg, zei ze dat ze die was kwijtgeraakt bij het bombardement op Deventer. Hij zei dat ze de volgende dag naar het gemeentehuis in Beilen moest komen om zich te identificeren. Maar één van de landwachters herkende haar. Hij kwam uit Beilen en zijn moeder was dienstmeisje geweest bij de oma van Carolien. Hij zei “Hé, Carolientje, bin ie hier?” En tegen de Duitser zei hij: “Da’s een jeudinnegien uut Beilen.”

Mijn moeder werd op een open boerenkar meegenomen naar Beilen. Daarvandaan moest ze zelf naar de gevangenis in Assen fietsen. De inspanning van de fietstocht was haast te veel voor haar, omdat ze al die jaren nauwelijks beweging had gehad. Na vijf dagen, op 6 maart 1945, werd ze overgebracht naar kamp Westerbork. Ze ontmoette daar diverse mensen uit Beilen en omgeving die ze kende, en maakte op 12 april 1945 de bevrijding van het kamp mee.

Ze wilde het liefst zo snel mogelijk naar huis, maar volgens de orders van de Canadese bevrijders mocht niemand het kamp verlaten. Ze heeft toch geprobeerd om onder de slagboom door te kruipen, maar er werd door een bewaker op haar geschoten. Ze besloot wijselijk weer terug te gaan. Zelf zei ze hier ooit tegen ons over: “Ik leek wel gek! Ik had de hele oorlog overleefd en toen ik bevrijd was had ik me nog bijna overhoop laten schieten.”
Carolien vertelde aan Sam Stern, een mede-kampbewoner uit Assen die ze goed kende, dat er een bewaker was die had beloofd om haar te helpen ontsnappen als ze ‘s avonds laat bij een bepaalde wachttoren zou komen. Sam heeft haar er van weerhouden om te gaan, omdat hij, niet onterecht waarschijnlijk, vermoedde dat deze bewaker iets anders met haar voor had.

Een paar dagen later ontmoette ze bij de afrastering aan een andere kant van het kamp een boer uit de omgeving die haar herkende. Hij beloofde ‘s avonds terug te komen met een extra fiets. Op die manier is ze stiekem uit het kamp vertrokken en is naar huis gefietst. Op haar kaart uit kamp Westerbork staat geschreven ‘Abgereist am: Vermist 17 april 1945′. In Beilen vond de hereniging met haar ouders en broer plaats.

Kort na haar terugkeer in Beilen werd moeder de secretaresse van Viëtor, die onmiddellijk na de bevrijding hoofd van de plaatselijke politie werd en hoofd van de Politieke Opsporingsdienst Beilen. Kort daarna werd hij benoemd tot sub-districtshoofd van de Politieke Opsporingsdienst Beilen-Westerbork.

Carolien was aanwezig bij de verhoren van Geesje Bleeker door Viëtor en zijn collega Bert Dijkstra en maakte hier de verslagen van. Op 29 juni 1945 kregen Viëtor en Dijkstra, tijdens het vervoer van Geesje Bleeker naar de gevangenis, een auto-ongeluk waarbij Niek Viëtor om het leven kwam. Heel Beilen was in diepe rouw door dit tragische ongeval. Alle feestelijkheden voor de verjaardag van Prins Bernhard werden afgelast. Nico Viëtor werd op 4 juli 1945 met militaire eer begraven. Voor Carolien was het een bijzonder grote schok. Ze had haar leven aan deze man te danken. Haar hele verdere leven heeft zij met veel bewondering en genegenheid over hem gesproken.

Huwelijksdiner Carolien en Jo in 1948.

In februari 1946 werd mijn moeders (half)zusje Betsy geboren. Niet lang daarna vertrok ze opnieuw naar Amsterdam. Ze kreeg op een zeker moment een baan als administratief medewerkster bij de stoffengroothandel Herman Hart. Hier ontmoette ze Aaltjo (Jo) Oldenburger, die daar werkzaam was als commercieel medewerker. Jo was afkomstig uit de omgeving van Emmen en was gedurende de hele oorlog actief in het verzet. Hij was lid van de Zefat-groep. Deze groep heeft in een hol in het Valtherbos, gedurende meer dan twee jaar, zestien Joden verborgen gehouden. Alle zestien hebben ze de oorlog overleefd. De leider van de groep, Bertus Zefat uit Valthe, werd op 27 juli 1944 gearresteerd. Hij weigerde te praten en werd ter plekke op zijn eigen erf voor de ogen van zijn vrouw en drie kinderen gefusilleerd.

Op 27 februari 1948 trouwden Carolien en Jo in Amsterdam en gingen wonen aan de Van Tuyll van Serooskerkenweg in Amsterdam-Zuid. Hetzelfde jaar werd hun zoon Bert, genoemd naar Bertus Zefat, geboren. Vrij snel daarna ging Jo gedeeltelijk werken bij zijn schoonvader Samuel Kats in Beilen, die daar met een compagnon (Harry Denneboom) een handel in manufacturen, confectie en woninginrichting hervat had. Hij reisde twee keer per week naar Drenthe.
In 1950 besloten ze terug te keren naar Beilen en huurden een huis aan de Middenstraat 2.
Jo werkte toen fulltime bij Kats & Denneboom. In 1952 werd ik geboren, genoemd naar Phillippine, de moeder van Carolien. Na een paar jaar, toen haar ouders het pand Brinkstraat 50 kochten van Harry Denneboom, verhuisde het jonge gezin naar het ouderlijk huis aan de Kruisstraat.

Carolien en Jo in 2008.

In 1969 namen Jo en Carolien de confectie-afdeling over van vader Samuel en gingen verder onder de naam Oldenburger Mode. Nadat Samuel een nieuwe woning had laten bouwen aan de Prins Bernhardstraat verhuisden ze naar het winkelpand Brinkstraat 50. Het huis aan de Kruisstraat werd afgebroken en er werd een nieuw pand gebouwd waarin Salco de woninginrichting-afdeling voortzette.

In 1990 namen Bert en Finy samen het bedrijf over en tot op de dag van vandaag zijn zij de eigenaren van Oldenburger Mode. Het pand werd in 1991 grondig verbouwd en Carolien en Jo betrokken de bovenverdieping. Bizar als je bedenkt dat ze op exact dezelfde verdieping de eerste nacht van haar onderduiktijd had doorgebracht bij Niek Viëtor.
Ze heeft gelukkig nog jaren samen met Jo van haar pensioen kunnen genieten. Ze kregen twee kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. Jo (95) woont nog steeds op hetzelfde adres.
Na een kort ziekbed overleed Carolien op 23 februari 2013 omringd door haar naasten in haar eigen vertrouwde omgeving. Ze werd 92 jaar.

Ze heeft, net als de rest van het gezin Kats, altijd warme banden onderhouden met een aantal onderduikfamilies en/of met hun nabestaanden. Het vreselijke feit dat vier van haar redders de oorlog niet hebben overleefd moet een grote impact hebben gehad op Carolien.

Koop Schra (Woeste Hoeve, 8-3-1945),
Klaas Westerbeek (Neuengamme, 30-4-1945),
Hendrik Kuiper (13-5-1945, Sandbostel in Unterstedt),
Lammert Zwanenburg (19-10-1944, Kamp Westerbork).

Westerbeek en Kuiper zijn gearresteerd door verraad van Geesje Bleeker.
Ook met Lien Viëtor, de weduwe van Niek, heeft ze tot niet lang voor het overlijden van Lien een goed contact gehad. Lien kwam elk jaar, tot op hoge leeftijd, op 4 mei naar Beilen om onder andere een bezoek te brengen aan Carolien.
De namen van al deze mensen zingen nog steeds rond in onze familie.

Mijn moeder heeft met haar naaste familie nooit veel gesproken over haar oorlogservaringen. Ze vertelde wel over gebeurtenissen in de “anekdotische sfeer”, maar sprak nooit over wat het emotioneel met haar gedaan had. Een groot deel van haar familie is “niet teruggekomen”. Ze heeft pas in 1995 voor het eerst weer voet gezet op het terrein van kamp Westerbork tijdens de herdenking ter gelegenheid van de 50-jarige bevrijding van het kamp. In latere jaren was ze er een regelmatige bezoeker tijdens bijeenkomsten.

Dat ze haar leven lang met de verschrikkingen en angsten van de oorlog bezig moet zijn geweest bleek uit woorden die ze tegen mij sprak in de laatste dagen van haar leven:

“Morgen is zo mooi niet… het antisemitisme is terug… en dat weet jij ook!”