Daan Gudema

Daniël Salomon Gudema (1907) verhuisde in 1922 van Stadskanaal naar Groningen om er als vijftienjarige jongen de kost te gaan verdienen. ‘Doantje’ zou tot één van de bekendste standwerkers van de stad uitgroeien. Dankzij zijn gemengde huwelijk overleefde Daan Gudema de Tweede Wereldoorlog.

Daan Gudema

Daan Gudema

In 1933 trouwde Daan Gudema met de niet-Joodse Roelfina Hummel, tot volle ontevredenheid van zijn moeder. Als kleinzoon van één van de oprichters van de Kille Zuidbroek vond zij dat hij met een Joodse vrouw zou moeten trouwen. Met een baby op komst besloot moeder Gudema alsnog haar toestemming te geven. Na zijn huwelijk liet Gudema zich uit de Joodse gemeente schrijven. Veel had hij hierna niet meer op met zijn Joodse achtergrond. Als men hem op een zaterdagochtend op wilde halen om mee te helpen de minjan te maken dan stemde hij met grote tegenzin in. Het kostte hem kostbare tijd op een dag waarop goed te verdienen viel.

Na zijn huwelijk moest Gudema een gezin onderhouden en besloot hij zelfstandige te worden. Met een handkar ventte hij fruit van het seizoen uit, soms verkocht hij groenten. Hij had veel vaste klanten, maar bezocht tevens markten en jaarmarkten in de omgeving en verkocht dan van allerlei stoffen, warme worsten en sneden Drentse bollen met roomboter, die in werkelijkheid margarine was – niemand zou het toch merken zo redeneerde Daan.

Gudema was een uitstekend koopman die een aangeboren rekentalent bezat en niet op zijn mondje was gevallen. Het werkte daarnaast keihard. Grossiers kochten op maandag fruit op veilingen in het westen. Aan het Zuiderdiep, waar ze hun partijen veilden stond Gudema ze om drie uur ’s nachts op te wachten, zodat hij eerste keus had. In de winter ging de handel in de openlucht gewoon door. Hij sloeg zich de handen warm, had hete koffie op een petroleumkacheltje en een zeil rond de kraam hield de wind wat weg. Als klanten vroegen of zijn waar bevroren was, luidde het antwoord steevast: ‘Nee’, ook bij zeventien graden vorst.

Als klanten vroegen of zijn waar bevroren was, luidde het antwoord steevast: ‘Nee’,
ook bij zeventien graden vorst.

Na de Duitse inval in mei 1940 raakte Daan Gudema al snel zijn handel kwijt. Vanaf september 1941 mocht hij niet meer op de markt komen zodat hij geen inkomsten meer had. Hij bleef stiekem vanuit huis in fruit handelen en ging bij mensen goud en zilver opkopen. Zijn klanten hadden in moeilijke tijden contanten en hij had bij het wegdoen van de oude sieraden weer wat geld voor zijn gezin.

In april 1944 werd Gudema ondanks zijn gemengd-gehuwde status opgepakt en naar Joods werkkamp in Havelte overgebracht. Het leven was er relatief goed. Zo goed zelfs, dat Daan zijn zoon een week naar het kamp meenam. Het eten was er beter dan in Groningen. Elk weekend ging Gudema naar de stad terug. Hij verstopte zich in een goederentrein die het Joodse werkkamp aandeed en kon zo meeliften naar Groningen.

In de zomer van 1944 werd Gudema overgebracht naar kamp Westerbork waar zijn huwelijk met Roelfina hem van transport wist te vrijwaren. Later zou Daan Gudema vertellen dat hij veel herinneringen had overgehouden aan zijn tijd in Westerbork. Van het leven in de barakken, de transporten en de executies in het najaar van 1944 – ‘We konden de schoten horen. En het gehuil’. Vooral probeerde Gudema echter de “leuke” dingen van het kamp te onthouden. Hoe hij op vindingrijke wijze zijn vrouw buiten het kamp wist te ontmoeten, de ontelbare keren dat hij de bewakers voor de gek had weten te houden en natuurlijk (en vooral) de bevrijding op 12 april.

‘We waren gek van vreugde. We konden er niet van slapen. De geallieerden deelden grote pakken chocolade uit en sigaretten. We hebben uit de huizen van die hoge omes alle portretten gehaald, van Hitler en zo, ze de ogen uitgestoken. Waar ze allemaal het oranje weg haalden weet ik niet, maar iedereen had wat en iedereen was stapelgek.

Iedereen pikte van alles, natuurlijk. Er waren radio’s in overvloed. En fietsen. Maar d’r kwam al gauw een burgemeester – een goeie hoor – vertellen dat dát niet mocht en toen hielden de meesten er ook mee op.’

Kort na de bevrijding van Westerbork vertrok Daan Gudema zonder toestemming uit het kamp door van vier kapotte fietsen één goede te bouwen. ‘Er stond een wacht voor het kamp die me nog wou tegenhouden maar ik zei: “Als jij nou even de andere kant uitkijkt dan heb je niks gezien”.’

Per fiets wist Daan op 18 april bij vrouw en kinderen terug te keren. Hij ging vervolgens direct weer aan de slag met zijn fruithandel. Hard werken was volgens Gudema de beste manier om de verliezen van mensen en goederen te verwerken.

In 1952 stierf Roelfina en hertrouwde Gudema met de Joodse Marianne Kops. Daan overleed in 1990 op 83-jarige leeftijd in zijn geliefde Groningen.