David Jas

Vera Hammond-Jas maakte een persoonlijk portret van haar vader, David Jas (1913). ‘Mijn vader heeft ons nooit willen belasten met zijn oorlogstrauma’s. Het enige wat hij hierover zei, was wanneer mijn moeder wel eens vond dat hij me teveel verwende: “Wie moet het anders doen? De kinderen hebben geen grootouders meer die het kunnen doen.”’

David Jas met zijn gezin na de oorlog.

David Jas

‘David Jas,

Dat was de naam van mijn vader. Geboren 17 januari 1913.
Zoon van Mozes Jas en Vrouwtje de Laay. Getrouwd met Johanna Adriana Lodewijk op 8 januari 1947. Zo staat het beschreven in het trouwboekje dat ik na het overlijden van mijn ouders heb meegenomen. Uit dit huwelijk zijn mijn broer Maurice Jacques Harry Jas (genoemd naar de vermoorde broers van mijn vader) en ikzelf, Vera Magaretha Helena Judith Jas (genoemd naar de vermoorde zusters van mijn vader), geboren. Mijn roepnaam Vera is een afgeleide van de naam Vrouwtje naar mijn vermoorde oma.

Wat niet beschreven staat, is wie David Jas was als mens.
Mijn vader was een stille, lieve man en een ontzettend harde werker. Iedere dag voor zes uur in de ochtend ging hij het huis uit om fruit en fruitblikken in te kopen in de markthallen, die op zijn bakfiets te laden en te verkopen aan zijn vaste klanten in Amsterdam-Zuid. Daarna kwam hij rond 4 uur ‘s middags thuis. Vrijdags stond hij in de Weesperstraat te venten.

David Jas met zijn familie.

Dit deed hij dag in dag uit in weer en wind. Vrijdags kwam hij dan thuis met een doos vol fruit en bloemen. Dan begon zijn weekend. Zondags stuurde hij me naar een kennis, David van Zanten op de Tugelaweg om de orgeade-bolus op te halen die van Zanten voor ons had meegebracht.
In 1962 kocht hij een wit Volkswagenbusje, toen hoefde hij niet langer met zijn zware bakfiets tegen de bruggen op te trappen.

Mijn vader was een rustige man, hij sprak nooit over zijn oorlogstrauma’s. De dingen die ik weet, heb ik gehoord van zijn enig overlevende zuster Esther Meyer-Jas. Zij vertelde mij, dat mijn vader voor de zonen van Esther, Maurice en Joop, die terug uit de onderduik kwamen, hun eerste paar schoenen kocht en hun eerste perzik.

Mijn vader was een stille, lieve man en een ontzettend harde werker. Iedere dag voor zes uur in de ochtend ging hij het huis uit om fruit en fruitblikken in te kopen in de markthallen, die op zijn bakfiets te laden en te verkopen aan zijn vaste klanten in Amsterdam Zuid, daarna kwam hij rond 4 uur ‘s middags thuis.

David Jas was één van de ruim 850 overlevenden van kamp Westerbork. Zijn zuster Esther overleefde Auschwitz.
Mijn vader heeft ons nooit willen belasten met zijn oorlogstrauma’s. Het enige wat hij hierover zei, was wanneer mijn moeder wel eens vond dat hij me teveel verwende: “Wie moet het anders doen? De kinderen hebben geen grootouders meer die het kunnen doen.” Hij bleef me verwennen, zelfs toen ik getrouwd was en zelf vier kinderen had. Iedere vrijdag kwam hij in zijn busje langs en bracht mij dan een grote bananendoos vol met fruit, snoep, stripboeken en zakgeld voor zijn kleinkinderen. Met Pasen bracht hij standaard een grote doos matzes naar mij en zijn zuster Esther. Dit bleef hij doen tot hij met 65 jaar ophield met werken.

David Jas op latere leeftijd.

Toen mijn vader ouder werd en ging dementeren kwamen de verschrikkelijke herinneringen terug en moest hij tijdelijk worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis in Vogelzang. Mijn vader is 89 jaar geworden en is overleden in het verpleeghuis St. Jacob in Amsterdam waar hij samen met mijn moeder woonde.

Moge hij in vrede rusten.

Omein.’