De familie Bamberg

David Bamberg en Berendje (Bertha) Levitus trouwden in 1923. David was in 1912 geboren in de provincie Groningen; Bertha kwam ter wereld in 1915 in Drenthe. Samen kregen zij in oktober 1938 een zoontje Jacob (Johnny). Bij het binnenvallen van de nazi’s in mei 1940 was Johnny nog geen twee jaar oud. Hij zou in de laatste maanden van de oorlog, zonder zijn ouders, in kamp Westerbork verblijven. Dit portret is geschreven door geschiedenisstudente Jessica Benjamins.

Bertha (links) en David Bamberg met kinderwagen
Bertha (links) en David Bamberg met kinderwagen

De familie Bamberg

David Bamberg was onderwijzer van beroep en hij woonde met zijn gezin in Winschoten. Winschoten kent een rijke Joodse geschiedenis. De eerste Joden vestigden zich al in de zeventiende eeuw in de Groningse plaats. In de negentiende eeuw groeide het aantal Joden in Winschoten snel. In 1814 telde de gemeenschap bijna 200 leden. In 1899 was de Joodse bevolking toegenomen tot 699.

In augustus en oktober 1942 werd een aanzienlijk deel van de Winschoter Joden naar kamp Westerbork overgebracht. De meeste mensen werden na enkele dagen of weken doorgestuurd. Vanuit Westerbork vertrokken de treinen in de richting van Groningen. Via Winschoten en Nieuweschans verlieten ze vervolgens het land, op weg naar ‘het Oosten’.

De achterblijvers in Winschoten zagen hun familie en vrienden aldus “langskomen”. Wat de mensen te zien kregen van de transporten strookte echter niet met wat hen verteld werd over de werkkampen waar zij naar toe zouden worden gestuurd. In die treinen zaten namelijk ook kinderen en ouderen. Dit wekte argwaan bij David en zijn vrouw. In de zomer van 1942 kreeg David te horen dat hij snel een oproep zou ontvangen. David besloot hier niet op te wachten en dook op 16 augustus 1942 samen met zijn vrouw onder. Uit voorzorg werd Johnny op een andere onderduikplek ondergebracht, gescheiden van zijn ouders. Johnny was in augustus 1942 slechts drie jaar oud.

Wij zijn direct na de bevrijding op de fiets naar Westerbork gegaan en bij aankomst stond er een man bij de poort met onze zoon aan de hand. Na zoveel jaar herkende hij z’n moeder niet eens meer, maar na een paar dagen waren we aan elkaar gewend.

Johnny kon bij zijn eerste onderduikfamilie maar moeilijk wennen en bleef om zijn moeder roepen. Dit zorgde ervoor dat hij, en ook zijn onderduikgevers, veel gevaar liepen. Johnny werd daarom al vrij vlot ergens anders ondergebracht. Ook dit nieuwe adres bleek niet permanent. Uiteindelijk kwam Johnny in het zuiden van Drenthe terecht. In dit gebied bevonden zich zeer veel onderduikers, iets waar de bezetter ook van op de hoogte was. Tijdens een zoekactie werd Johnny opgepakt. In januari 1945 belandde hij in kamp Westerbork. Op dat moment vonden er geen transporten meer uit het kamp plaats. Johnny kon hierdoor tot de bevrijding op 12 april 1945 in Westerbork blijven.

David en Bertha zaten tijdens de oorlog op verschillende adressen ondergedoken. Zij werden op 15 april 1945 in Zuidlaren bevrijd. Het stel vertrok zo snel als het kon naar kamp Westerbork om hun zoontje op te halen. David vertelde later over het weerzien met zijn zoon: ‘Wij zijn direct na de bevrijding op de fiets naar Westerbork gegaan en bij aankomst stond er een man bij de poort met onze zoon aan de hand. Na zoveel jaar herkende hij z’n moeder niet eens meer, maar na een paar dagen waren we aan elkaar gewend.’

Johnny en zijn ouders overleefden de oorlog. Dit gold echter niet voor David’s familie. Zowel zijn ouders als broer kwamen om in ‘het Oosten’. Na de oorlog zijn Bertha en David gescheiden. Beiden zijn later opnieuw getrouwd. Bertha overleed in 1972 op 57-jarige leeftijd. David overleed in 2012 op 99-jarige leeftijd in Amsterdam. John is tussen 1969 en 1972 naar Israël geëmigreerd.