Leo & Fiep Benninga

Nadat zij zijn opgepakt uit de onderduik worden Leonard (1916) en Sophie Benninga (1921) in september 1943 via de Hollandsche Schouwburg naar kamp Westerbork gestuurd. Ze weten er bijna anderhalf jaar van transport gevrijwaard te blijven. ‘We hebben het meeste stomme geluk gehad dat er bestaat.’

Leo & Fiep Benninga.

Leo & Fiep Benninga

Het is 24 maart 1940 wanneer Leo Benninga en Fiep Nopol elkaar in Amsterdam via een nicht van Leonard ontmoeten. Hij werd geboren in Sneek en is voor het uitbreken van de oorlog woonachtig in Leeuwarden. Leonard groeide op als jongste van twee kinderen van een bekende margarinefabrikant in een gezin dat als niet-religieus Joods kan worden aangemerkt. Zij woont al haar hele leven op het Sarphatipark in Amsterdam, een goede middenstandsbuurt. Ze is de dochter van een koopman die handelt in oude metalen en machines. Het is liefde op het eerste gezicht, zoals Sophia de ontmoeting omschrijft.

Al kort na de Duitse inval, ergens in 1941, duikt de familie Nopol onder. Leo voegt zich enige tijd later bij zijn vriendin. Tot in 1943 zitten ze samen in Amsterdam ondergedoken. Dan sijpelt het bericht door dat Fieps zusje Tiny is gearresteerd op de Amstelveenseweg. Uit vrees dat zij nu aan de beurt zijn, vertrekken Fiep en Leo naar de familie Wesselius in Tilburg. Eén dag later worden ze daar gearresteerd door de beruchte Jodenjager Martin Hintink en zijn zwager. Alles wordt in beslag genomen, tot een nagelvijltje aan toe. ‘Je bent nu wel een nette Jood’, zo bitst Hintink Leo toe, ‘maar met een nagelvijltje kun je rare dingen doen.’ Als Hintink de achternaam van Fiep hoort, zegt hij trots tegen haar: ‘Twee dagen geleden heb ik uw zusje gearresteerd.’ Fiep’s zusje heeft vlak voor haar aanhouding nog een briefje met hun adres erop weten te verscheuren. Hintink heeft alle stukjes opgeraapt en aan elkaar gelijmd en zo is het adres Oosterwijksebaan 145, Tilburg, gereconstrueerd.

We zijn een tijd lang terughouden van transport doordat ik ziek was geworden. Ik kon me bijna niet meer bewegen, zo’n pijn had ik. De doktoren dachten aan geelzucht. De nazi’s waren doodsbang voor besmettelijke ziekten en ik werd in een afgezonderde barak geplaatst.

Fiep en Leo worden door Hintink en zijn zwager meegenomen naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, dan dienend als deportatieplaats. Ze verblijven er bijna een maand. Het stel besluit er trouwen, zodat ze bij elkaar kunnen blijven als ze weggevoerd worden. Ze krijgen – met hoge uitzondering – toestemming van de leidinggevende nazi Aus der Fünten. De trouwdag is op 9 september 1944.
Fiep: ‘We hadden 900 gasten op onze bruiloft, want de hele schouwburg zat vol. Er lagen overal mensen, op stro op, op de houten vloeren en je kreeg een paardendeken, zo’n grijze deken met rode strepen. En toen we de volgende dag opstonden hebben we geteld dat ik 24 vlooien had. Dat was onze huwelijksnacht.’

Op 23 september 1943 worden Leo en Fiep Benninga naar kamp Westerbork overgebracht.

Fiep: ‘Toen we aankwamen moesten we geregistreerd worden. We werden naar een grote zaal gebracht waar een vriendin van Leonard aan het werk was. Ze vroeg mij naar mijn beroep. Ik vertelde toen dat ik vlak voor de oorlog, in de mobilisatietijd, bij de burgerwacht had gezeten, in de EHBO-groep. Op de avond van 9 mei 1940 had ik daarvoor een examen afgelegd. Daarnaast was ik secretaresse. Dat meisje vroeg me toen of ik, gezien mijn EHBO-diploma, in het ziekenhuis wilde werken. Daar was toen grote behoefte aan.’

Leo: ‘Ik werd vrij kort na aankomst in Westerbork bij de metaalafdeling ingedeeld. Niet dat ik daar enige donder verstand van had, maar mijn schoonvader zat in de metaalhandel. Later ben ik een manusje van alles geworden. Ik heb nog in de keuken gewerkt en ben met andere gevangenen ook een paar keer buiten het kamp aan het werk gezet. Moesten we fabrieken demonteren in Amsterdam of wagonladingen met kolen overladen bij het station in Assen.’

Fiep: ‘We zijn een tijd lang teruggehouden van transport doordat ik ziek was geworden. Ik kon me bijna niet meer bewegen, zo’n pijn had ik. De doktoren dachten aan geelzucht. De nazi’s waren doodsbang voor besmettelijke ziekten en ik werd in een afgezonderde barak geplaatst.’

Leo: ‘Het leven in kamp Westerbork was eigenlijk te idioot voor woorden. Er was een complete leefgemeenschap gemaakt. Er was dus een ziekenhuis, maar ook elektriciteit, warm water, koud water, een kleermakerij, een schoenmakerij, een timmermanswerkplaats… . Het was eigenlijk een groot dorp met een constant wisselende bevolking. Vandaag kon je in het theater zitten en morgen in een trein op weg naar het Oosten.’

Fiep: ‘In die kleermakerij heb ik nog een tijdje gewerkt, toen ik last had van één van mijn vingers. Daar maakte ik ook zoiets bizars mee; ergens in september 1944 kwam de vriendin van de kampcommandant, Frau Hassel bij ons. Ze wilde dat er een mooie blouse van nylon voor haar gemaakt werd. Toen moesten wij een aantal parachutes, die van gevangen genomen geallieerde militairen waren afgenomen, uit elkaar halen. De kleermakers maakten daar vervolgens een blouse van voor die Hassel.’

Leo en Fiep Benninga weten tot het einde van de Tweede Wereldoorlog in kamp Westerbork te blijven. De bevrijding zelf beschrijven beiden als een onwerkelijke ervaring waarvan ze de impact pas later goed hebben begrepen. Na de bevrijding mag het jonge stel kamp Westerbork nog niet verlaten. Net als de overige gevangenen moeten zij vanwege onder andere de oorlogsdreiging een tijdlang in het kamp achterblijven.

Leo Benninga bevindt zich op 7 mei 1945 nog altijd in kamp Westerbork als hij getuige is van een opstootje bij één van de barakken. Twee weken eerder zijn de eerste van de ruim 8.000 van collaboratie met de nazi’s verdachte mensen binnengebracht. Leo ziet een groep mannen om één van de nieuwe gevangenen heen staan. In de gevangene herkent Leo Martin Hintink, de Jodenjager die hem en zijn vrouw van hun onderduikadres heeft opgepakt. Dezelfde dag nog schrijft hij een verklaring aan de Canadese autoriteiten over het incident en later getuigt hij voor de rechtbank over de ontmoeting: ‘Hintink heeft toen, in tegenwoordigheid van mij en een andere getuige, gezegd dat hij zeven gulden vijftig per ondergedoken en gearresteerde Jood kreeg. Na deze verklaring heeft de verdachte een flink pak slaag gekregen. Hintink had ook enige opdoffers nodig om tot zijn positieven te komen.’

Leo en Fiep mogen na ruim anderhalf maand, op 22 mei 1945, kamp Westerbork definitief verlaten. Terugkijkend beseft het stel dat het veel geluk heeft gehad.

Leo: ‘We zijn er doorheen gerold. Ik heb naderhand wel eens een aanwijzing gevonden waarom wij niet op transport zijn gesteld en anderen wel. Zo heb ik gehoord dat er een hoge omes in de kampleiding zat die het beste met ons voor had. Maar als je alles bij elkaar neemt, denk ik dat we gewoon het meeste stomme geluk hebben gehad dat er bestaat. Ongelofelijk veel stom geluk.’