De familie Blüth

De in Duitsland geboren Curt Blüth emigreerde in 1919 naar Nederland. Hier trouwde hij en kreeg hij samen met zijn vrouw twee dochters. Tijdens de bezetting was Blüth werkzaam voor de Joodse Raad. Het portret van de familie Blüth is geschreven door geschiedenisstudente Jessica Benjamins.

Op de voorgrond de barak waar de Contactcommissie kantoor hield.
Op de voorgrond de barak waar de Contactcommissie kantoor hield.

De familie Blüth

Curt Blüth wordt op 4 november 1891 in Coburg, een kleine stad in de deelstaat Beieren, geboren. Kort na de Eerste Wereldoorlog, waarin hij als officier in het Duitse leger meestreed, besluit Curt vanuit Duitsland naar Nederland te emigreren. In 1924 trouwt hij in Amsterdam met Frederike (Erika) Henschel, die eveneens uit Duitsland afkomstig is. Zij is in 1896 in Hamburg ter wereld gekomen. Zestien jaar na aankomst in zijn nieuwe thuisland mag Curth Blüth zich officieel Nederlander noemen: in 1935 ontvangt hij zijn naturalisatiepapieren. Uit het huwelijk met Erika zijn dan inmiddels twee dochters geboren: Eva op 27 maart 1926 en Ellen op 28 maart 1928.

Tijdens de bezetting bekleed zakenman Blüth, van oorsprong opgeleid als elektromonteur, een hoge positie binnen de zogenoemde Joodse Raad. De Joodse Raad wordt in 1941 op instigatie van de nazi’s in het leven geroepen met het dan nog geheime doel de deporatie van de Joodse gemeenschap in Nederland zo effectief mogelijk zo laten verlopen. Curt wordt aangesteld als leider van de afdeling ‘Hulp aan Vertrekkenden’, een rol waarin hij onder andere verantwoordelijk is voor de contacten tussen Amsterdam, waar het hoofdbestuur van de Joodse Raad zetelt, en kamp Westerbork. Daarnaast onderhoud hij vanaf 1943 ook de contacten met kamp Vught.

Curt bezoekt kamp Westerbork in 1941 en 1942 vrijwel wekelijks. Onderdeel van deze bezoeken zijn de spreekuren voor de kampbewoners. Met zijn driehonderd medewerkers probeert hij in een kantoor aan de Oude Schans in Amsterdam aan zoveel mogelijk verzoeken van de gevangenen – tot juli 1942 bijna uitsluitend vluchtelingen – te voldoen. Daarnaast regelt Curt het goederen- en pakketvervoer naar het kamp.

Net als haar man vervult ook geschiedenislerares Erika werkzaamheden voor de Joodse Raad. Voor de oorlog is zij korte tijd de Nederlandse leider van de Jeugdalijah. Deze organisatie is in 1932 in Duitsland opgericht door Recha Freier. Het doel van de Jeugdalijah is om zoveel mogelijk kinderen te laten vertrekken naar veilige gebieden. Curt en Erika’s oudste dochter Eva is opgeleid tot pedagogisch medewerkster.

Op 29 september 1943 komen Curt, Erika en hun dochters met de laatste lichting Amsterdamse Joden in kamp Westerbork aan. Daags na hun aankomst wordt Nederland officieel door de nazi’s ‘Judenrein’ verklaard. Zijn goede contacten met de Joodse leiding verschaffen Curt een nieuwe functie in Westerbork, nodig omdat met het vertrek van de laatste Joden uit Amsterdam de rol van de Joodse Raad aldaar uitgespeeld is. Blüth wordt hoofd inkoop van kleding voor het kamp, een unieke positie, waarin hij tot de bevrijding regelmatig Westerbork kan én mag verlaten.

De kunde en ijver waarmee hij in Amsterdam, Westerbork en Vught zijn taak vervulde, een ijver waarin hij zijn medewerkers meesleepte, zijn niet genoeg te roemen.

Net als zijn familie weet ook de secretaresse van Curt Blüth uit kamp Westerbork, Johanna Kroonenberg, de oorlog te overleven. In een interview in 1993 sprak Johanna over de werkzaamheden die zij in het laatste deel van de oorlog voor Blüth moest uitvoeren. Haar werk had vooral bestaan uit het schriftelijk verbeteren van zijn Nederlands, een taal die haar chef, opmerkelijk gezien hij op dat moment al meer dan 25 jaar in Nederland woonde, slecht had gesproken en vooral had geschreven. ‘[…] Dan verbeterde ik het en op een keer zei hij dat ik het moest laten staan zoals hij het schreef, anders zou hij mij direct op transport sturen. […] U weet meteen hoe Blüth was, want dat zegt men niet, van de ene Jood tegen de andere Jood.’ Johanna Kroonenberg was, uitgaande van dit interview, dus niet enorm gesteld op haar oude werkgever. Zij bleek niet de enige: volgens ooggetuigen zou Curt Blüth vaak ‘uiterst onaangenaam’ te werk zijn gegaan in het kamp. Hij zou er ‘uitsluitend op uit zijn geweest om zijn eigen nek te redden’.

Op 12 april 1945 wordt kamp Westerbork bevrijd. Curth bevind zich op dat moment met zijn secretaresse in Amsterdam; de rest van de familie maakt de komst van de Canadezen in Westerbork mee. Bijna twee maanden na de bevrijding mogen Erika en Eva het kamp uiteindelijk verlaten. Ellen volgt drie week later, op 30 juni 1945. In 1946 trouwt Eva met met Eliezar Strul.

Na de oorlog is er over de Joodse Raad en ook over de Contactcommissie (de groep die namens de Joodse Raad het contact onderhield met kamp Westerbork) vaak uiterst kritisch geoordeeld. De leden van de Joodse Raad hadden een actieve rol gespeeld bij de deportatie van hun geloofsgenoten; de leden van de Contactcommissie hadden misbruik gemaakt van de machtspositie die zij in Westerbork verkregen hadden. Niet voor niets luidde de weinig flatteuze bijnaam van de Contactcommissie ‘Cognac-commissie’. Toch, zo concludeerde althans één van de leiders van de Joodse Raad, Professor David Cohen, in 1982, was dit alles niet te danken aan de rol van Curth Blüth ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

‘De heer Blüth die hoofd was van de afdeling Uitrusting van de Joodsche Raad, verschafte de geïnterneerden kleding, levensmiddelen, medicijnen (deze ook voor het ziekenhuis) en al wat zij voor hun bestaan nodig hadden. Om dit gedaan te krijgen, moest hij de commandant en de bewakers omkopen met allerlei geschenken. Tegenover de commandant gedroeg hij zich zeer vrijmoedig. Toen deze hem begon te dutzen, deed hij hetzelfde, zich beroepend op het feit dat hij Duits officier was geweest. De kunde en ijver waarmee hij in Amsterdam, Westerbork en Vught zijn taak vervulde, een ijver waarin hij zijn medewerkers meesleepte, zijn niet genoeg te roemen.’