De familie Brauner

Bezongen door Johnny & Jones; opgetekend door Philip Mechanicus. Martin Brauner (1907) speelde in kamp Westerbork een belangrijke rol die hem onder zijn medegevangenen zowel geliefd als gehaat maakte. Samen met zijn vrouw Alice (1907) en dochter emigreerde Martin Brauner na de bevrijding naar de Verenigde Staten.

Vliegtuigslopen in kamp Westerbork.

De familie Brauner

Al voor de Tweede Wereldoorlog waren ze wereldberoemd in Nederland. De Joodse zangers Johnny & Jones waren in de jaren dertig de koningen van de “swing”. Met aanstekelijke liedjes bezongen ze zonder pretenties de zonnige kant van het leven. Zorgenloze “feelgood muziek’, zoals het heden ten dage genoemd zou worden.
Met de inval van de nazi’s in mei 1940 veranderde de toon van het repertoire van Nol van Wesel (Johnny) en Max Kannewasser (Jones). In 1943 werden beide mannen met hun vrouw opgepakt en naar kamp Westerbork gebracht. Hier werden ze tewerkgesteld in één van de industriebarakken.

Johnny & Jones.

In augustus 1944 keerden Johnny & Jones op dienstreis nog eenmaal in Amsterdam terug. In het geheim wisten ze een aantal liedjes op te nemen waarin ze op zwartkomische wijze over gebeurtenissen in kamp Westerbork verhaalden. In het liedje ‘Wij sloopen met muziek’ bezong het duo bijvoorbeeld het werk in het kamp, waarbij in het refrein een hoofdrol was weggelegd voor een aantal belangrijke dienstleiders.

‘Beyer, Brauner, Hoffman en Tas
Zitten heel vaak in de rats
Met moeilijke mechaniek.
Maar wij slopen met muziek
Stuk geroest of vast gesoldeerd
Wordt door ons gedemonteerd.
Wij beheersen de techniek
Want wij slopen met muziek!
Als wij beginnen te zingen.’

Met de Brauner in het liedje bedoelden Johnny & Jones de uit Duitsland gevluchte Martin Brauner. Brauner was in het voorjaar van 1940 in het vluchtelingenkamp Westerbork aangekomen. Zijn vrouw Alice had nog enige tijd in de vrije buitenwereld mogen blijven, maar was met de overname van kamp door de nazi’s in juli 1942 alsnog naar Westerbork overgebracht.

Wat de beweegredenen van Martin Brauner zijn geweest om dergelijk gedrag te vertonen is niet duidelijk. Misschien heeft hij gemeend om de gevangenen hard te laten werken zodat zijn eigen positie en die van gezin niet in gevaar zouden komen; misschien lag het zoals Mechanicus stelt, eerder in de aard van zijn karakter.

Met zijn ervaringen als koopman had Martin Brauner zich in de loop der tijd een prominente rol in het nieuwe Durchgangslager weten aan te meten. In de tijd dat Johnny & Jones hun liedjes opnamen was hij al een ruim een jaar één van de belangrijkste personen binnen de industriesector. Het was een positie die hem zowel geliefd als gehaat onder de kampbevolking maakte. Als Dienstleiter had hij de macht om met het vergeven van een baantje een gevangene langer in Westerbork te houden. Het maakte Brauner volgens zijn criticasters tot een machtswellusteling. Anderen benadrukten daarentegen vooral de onmogelijkheid van zijn positie. Was het niet immers een keuze tussen laten deporteren of zelf gedeporteerd worden? Philip Mechanicus, de clandestiene Joodse chroniqueur van het kamp, schreef op 4 februari 1944 over een confrontatie met Martin Brauner.

‘Gisteren gedonder gehad met mijn directe chef, de heer Brauner, een jongetje om te zien, met een zwarte jekker aan en een pet op, waarin hij verdrinkt, maar een duvel < van een vent >. Hij loert en spionneert de hele dag met zijn gluipersogen. Hij had de pik op me, omdat hij me aan tafel had zien schrijven inplaats van foliënplukken. “Komt u maar met me mee”, zei hij met een vals stemmetje, “ik heb een aardig licht werkje voor u.” “Wat is ‘t dan?” “Zult u wel zien.” Met mij nog een paar anderen achter de brede muur van de jekker aan. Deze straalt van nieuwheid: ook geen eerlijke afkomst, staat er duidelijk op te lezen. In optocht naar de asbelt. “Alstublieft, mijne heren, gaat u uw gang maar; opensnijden.” En hij wees op een ordentelijke stapel matrassen, uit de onderscheidene barakken afkomstig en grondig bedorven door beddepissers. Ik had er geen zin in. Het motregende. “Gaat niet”, zei ik, “last van rheumatiek.” “Hebt u een attest van de dokter bij u?” “Nee, wat dacht u, dat ik zo’n ding in voorraad heb?” ‘Dan moet u hier blijven; dit werk is goed voor de rheumatiek.” “Zal u wat vanaf weten. Laat u mij gaan om een attest te halen.” “Kan niet. Maar u kunt daar in de loods werken.” (Wijst op een loods, waar precies de regen in gutst.) “Dank u. Daar heb ik niets aan. Laat u mij vandaag naar de foliën teruggaan; dan kom ik morgenochtend met een attest.” “Gaat niet; dan krijg ik last met de anderen.” “Dat is niet mijn zaak. Ik heb met ú te maken en niet met de anderen.” Brauner laat mij verder met de woorden in de mond staan en ik, zonder meer trouwens, blijf in de gutsende motregen staan kijken, hoe de anderen de bepiste matrassen openrijten en er het stro, het zeegras of ander gras uitwerken.’

Wat de beweegredenen van Martin Brauner zijn geweest om dergelijk gedrag te vertonen is niet duidelijk. Misschien heeft hij gemeend om de gevangenen hard te laten werken zodat zijn eigen positie en die van gezin – in mei 1943 was dochter Eveline geboren – niet in gevaar zouden komen; misschien lag het zoals Mechanicus stelt, eerder in de aard van zijn karakter. Wel is duidelijk dat in tegenstelling tot Johnny & Jones en Philip Mechanicus, Martin Brauner en zijn gezin de bevrijding in Westerbork wisten mee te maken.

Op 7 juli 1945 vertrokken Martin en Alice Brauner uit kamp Westerbork. Na een korte periode in Amsterdam besloten zij Europa achter zich te laten en te emigreren naar de Verenigde Staten. Ze vestigden zich in Florida waar Alice in mei 1971 kwam te overlijden. Martin Brauner wist zijn vrouw met bijna dertig jaar te overleven: in januari 2000 kwam er op 92-jarige leeftijd een einde aan zijn bewogen leven.