De familie Dresden

Eline Dresden (1923) werd met haar ouders Mietje (1889) en Daniël (1886) op 29 september 1943 van Barneveld naar kamp Westerbork overgebracht. Ubbo Emmiusleerlingen Enid Wolters en Leon Kingsma maakten een artistiek portret van de familie Dresden dat is aangevuld met fragmenten uit het boek van Eline Hoekstra-Dresden ‘Wishing upon a star. A tale of the holocaust and hope’ (2000).

Portret van Enid en Leon.

De familie Dresden

‘Ik ben in 1923 in Den Haag geboren. Ik was het jongste kind van Daniël Dresden, een professor aan de universiteit van Delft, en Mietje Dresden-Strelitskie. Ik ben opgegroeid met mijn oudere broers Daniel en Tony en mijn zus Mimi. Toen ik zes was verhuisden we naar Utrecht waar mijn vader directeur werd van een turbine fabriek.

In de zomer van 1940 was ik zeventien jaar oud en zat ik in de hoogste klas van het middelbaar onderwijs. Ik had het leven van een typisch zeventien jaar oud middenklas meisje van die tijd: Ik ging op vakantie met mijn ouders, deed aan sport, en, niet onbelangrijk, ik had een vriendje. Kees was achttien en woonde ook in de buurt van Utrecht. We waren dolverliefd.

Nederland capituleerde ongeveer een maand voor mijn eindexamens. Kees en ik slaagden allebei en kregen onze diploma’s in juni 1940. Ik besloot me in te schrijven bij de studie medicijnen aan de universiteit van Utrecht. Ook Kees ging medicijnen studeren, maar dan in Wageningen.

In februari 1941 werd het Joden niet langer toegestaan om aan een universiteit te studeren. Ik moest de universiteit verlaten. Mijn professoren lieten me nog een tijdje in het geheim ‘s avonds colleges volgen maar op een gegeven moment werd ook dat te gevaarlijk. Kees, wiens moeder alleen Joods was, ging naar Amsterdam om daar een technische opleiding te volgen (als “half Jood” mocht dat nog wel). Gedurende deze maanden kon ik Kees niet bezoeken, dat was mij als Jodin verboden. Ondanks alles bleven hij en ik van elkaar houden. We wilden zelfs trouwen, maar ook dat werd ons niet langer toegestaan.

In het najaar van 1941 bleek ik zwanger te zijn. Mijn moeder probeerde me te overtuigen het kind te laten weghalen maar zowel Kees als ik wilde het ondanks de moeilijke omstandigheden houden. Toen de tijd kwam dat ons babytje geboren zou worden, moest ik een kilometer naar het ziekenhuis lopen omdat ik vanwege de anti-Joodse maatregelen niet met het openbaar vervoer of een taxi mocht reizen. Ook onze fietsen waren inmiddels ingenomen. Op 28 april 1942 werd Daantje geboren. Tijdens de bevalling hoorden ik de geluiden van geallieerde vliegtuigen en Duitse geweren boven mijn hoofd klinken.

Na gelang de oorlog vorderde werd het voor ons als Joden steeds gevaarlijker en werd het mij duidelijk dat Daantje onder moest duiken. Mijn ouders hadden niet-Joodse vrienden, de familie Vermeij, waar hij terecht kon. Hij heeft daar de rest van de oorlog verder geleefd onder een andere naam. Het verhaal wat opgehouden werd, was dat zijn moeder omgekomen was bij het bombardement van Rotterdam. Gelukkig heeft het gewerkt.

Ook wij moesten vertrekken. Er werd ons verteld dat we onze naam en geboortedata op onze koffers moesten schrijven. Bepakt en bezakt hebben we zitten wachten tot twee uur in de nacht, vlak voor het moment dat de trein zou vertrekken. Toen kwam er een ordonnans die de boodschap meedeelde dat wij met zeventien anderen uit onze barak mochten blijven.

Op 21 april 1943 kwamen er twee SS-officieren naar ons huis. Ze verordenden dat wij ons klaar moesten maken om naar een interneringskamp in Barneveld te gaan. Mijn vader had er voor weten te zorgen dat wij als familie op een speciale ‘intellectuelenlijst’ waren geplaatst en daardoor hoefden wij in eerste instantie niet naar Westerbork.

We leefden in Barneveld in een groot kasteel ‘De Schaffelaar’ geheten. Het was een surrealistische omgeving. Het kasteel ademde luxe. Het werd ons toegestaan om wandelingen te maken en we konden pakjes en bezoekers ontvangen. Het leek wel een vakantie maar zo voelden we ons gezien de omstandigheden zeker niet.
Op 28 september 1943 kregen we het bevel om Barneveld te verlaten. We mochten één tas met spullen per persoon meenemen. We vertrokken in de vroege middag en tegen avondvallen kwamen we aan op onze nieuwe bestemming: kamp Westerbork.

Na uren wachten werden mijn vader, moeder en ik ingeschreven in de registratie van het kamp. Samen met alle andere “Barnevelders” kwamen we in barak 85 terecht, een grote woonbarak waar we op bedden driehoog moesten leven. Dit bed was de enige privacy die ik als mens in Westerbork gekend hebt.

Mijn vader werd al snel benoemd tot leider van onze barak. In deze positie was het zijn verantwoordelijkheid dat de diverse kampregels werden uitgevoerd. Hij had in het kamp groot aanzien en werd – ook al was hij het officieel niet meer – door iedereen als professor Dresden aangesproken.

In september 1944 vertrokken, zo leerden wij na de oorlog, de laatste treinen uit kamp Westerbork. Vrijwel de gehele kampbevolking werd naar het Oosten gedeporteerd. Ook wij moesten vertrekken. Er werd ons verteld dat we onze naam en geboortedata op onze koffers moesten schrijven. Bepakt en bezakt hebben we zitten wachten tot twee uur in de nacht, vlak voor het moment dat de trein zou vertrekken. Toen kwam er een ordonnans die de boodschap meedeelde dat wij met zeventien anderen uit onze barak mochten blijven. Deze terugstelling was een “cadeau” van de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse intelligentsia.

In de morgen van 12 april 1945 werden we wakker met het luide gestommel van tanks. We renden naar de poort van het kamp en zagen in de verte de Canadese troepen optrekken. De emoties schoten door mij heen. Ik voelde me opgelucht en dankbaar, maar er waren ook gevoelens van spanning om onze geliefden buiten Westerbork en boosheid om alles wat we hadden moeten meemaken. De Canadese soldaten begroeten ons met warmte en compassie. Ze gaven ons chocolade en sigaretten.

Omdat de situatie nog volledig onduidelijk was moesten we nog enige maanden in kamp Westerbork blijven. Op 5 juni 1945 mochten we vertrekken. Mijn broer Daniel die uit de trein van Barneveld naar Westerbork had weten te ontsnappen, kwam ons halen met een legertruck. We keerden met onze meubelen, die we terugvonden in de officiershuizen rond het kamp, terug naar huis in Utrecht.

Terugkijkend heb ik tweeënhalf jaar in kamp Westerbork gevangen gezeten. Elke dag, elk uur, elke minuut was ik maar met één ding bezig: overleven. We leefden in het kamp met het gevoel dat ons iets ergs stond te wachten zonder dat we wisten wat dit zou zijn. Het was een onbeschrijflijk onbehaaglijk gevoel dat ik nooit vergeten ben.’