De familie Elzas

Els van Rijn-Zandstra componeerde een portret over de familie Elzas, een ondernemersgezin uit Borculo dat tot de laatste maanden van de oorlog uit handen van de nazi’s wist te blijven. Met dank aan J.G. Bosman en A.J. Derking te Borculo.

Mozes Elzas.

De familie Elzas

Augustus 1925, het is een warme dag. Een windhoos raast over Borculo. In korte tijd wordt een groot deel van het dorp verwoest. Ook perkamentfabriek N. Elzas en Zonen aan de Pagendijk lijdt forse schade. De wind blaast riet en dakpannen volledig van de daken; het is een ravage. Wonder boven wonder: de synagoge blijft gespaard.

Mozes Elzas en zijn tien jaar oudere broer Nathan zijn vennoten, de derde generatie in het bedrijf dat in 1830 wordt opgericht door hun grootvader Nathan Elzas. Nathan leidt het bedrijf in Borculo, Mozes reist over de wereld om geschikte huiden in te kopen. Perkamentfabriek N. Elzas en Zonen is uniek in Europa; het perkament wordt over de hele wereld geëxporteerd. Perkament, gefabriceerd onder rabinaal toezicht voor Tora-rollen en andere Joods rituele documenten, perkament voor de bespanning van trommels, voor lampenkappen, wandbekleding en andere toepassingen. De zaak bloeit, de familie is vermogend. Mozes bewoont met zijn gezin de romantische witte villa met het ronde torentje Dorcia. In 1935 laat hij een modern huis in rode baksteen bouwen, een riante woning met een monumentaal trappenhuis voorzien van glas-in-loodramen en met vele vertrekken. Rondom een royale tuin met terrassen. Hij noemt de villa Belmidi, een samenvoeging van Bella, Mimi en Idi.

Mozes en zijn vrouw Dorothea Nanny Breslauer hebben drie kinderen: Isabella (Bella), Marie (Mimi) en de zeven jaar later geboren Abraham Isidore (Idi). De laatste zal later samen met zijn elf jaar oudere neef de fabriek leiden.

Het gezin leeft in de hechte en vroom Joodse gemeenschap van Borculo die zo’n 140 mensen telt. Mozes is voorzitter van de Joodse Gemeente en van de Talmoedschool. Joden leven in Borculo goed geïntegreerd. De familie Elzas behoort tot de gerespecteerde inwoners; Mozes is voorzitter van het Rode Kruis, zijn broer Nathan is gemeenteraadslid. Idi speelt met dorpsvriendjes op de groene Stadsbleek en toont zich een leider die weet hoe je van het frame van een oude fietsjasbeschermer, een oude autobinnenband en de tong van een schoen een katapult maakt. ´Niet met stenen schieten´, zegt hij; ze schieten met kastanjes.

In de latere jaren dertig komen meer en meer Duitse Joden naar de Achterhoek om hun vee ritueel te laten slachten. Het nazi-regime verbiedt dit in Duitsland. De onderdrukking en bedreiging van de Joden ontgaat de familie Elzas niet. Zij wonen dicht bij de grens, Mozes maakt zakenreizen naar het buitenland, hij heeft veel buitenlandse contacten, ook in Duitsland. In 1939 is hij lid van het Comité voor Joodsche Vluchtelingen, een organisatie die Duits-Joodse vluchtelingen bijstaat.

In februari 1940 verhuist hij met zijn vrouw en hun zoon naar een royaal rijhuis met erker en balkon in Voorburg. Verder weg van de Duitse grens. De dochters zijn beiden getrouwd en het huis uit. Villa Belmidi wordt verhuurd aan de tandarts.

Perkament van de firma N. Elzas en Zonen.

10 Mei 1940 is voor Nederland en in het bijzonder voor de Joden in Nederland een dramatische dag. Ook voor het gezin van Mozes en Dorothea Elzas-Breslauer. Idi is 18 jaar oud als de oorlog uitbreekt. Het verbod op ritueel slachten, vanaf 5 augustus, is de eerste maatregel die hen treft: zij leven naar de Joodse leefregels en dat wordt hen onmogelijk gemaakt. Er volgen meer en meer inperkende en isolerende verordeningen. De fabriek in Borculo wordt in beslag genomen, ontmanteld en gaat bezettingstroepen herbergen. Villa Dorcia worden geconfisqueerd, banktegoeden en waardevolle eigendommen moeten worden afgedragen. In 1941 zijn zij verplicht een persoonsbewijs bij zich te dragen, een document met pasfoto, vingerafdruk en een grote J en vanaf begin mei 1942 de Jodenster.

Mozes wordt medewerker van de Joodsche Raad in Den Haag, het Joodse instrument met behulp waarvan de Duitsers de deportatie van de Joden organiseert. Hij en zijn vrouw zijn door deze functie voorlopig gevrijwaard van deportatie. Dorothea zorgt voor het huishouden met hulp van een Joods dienstmeisje. Idi wordt tewerkgesteld in Ons Rusthuis in Den Haag. ‘INHABER DIESES AUSWEISES, IST BIS AUF WEITERES VOM ARBEITSEINSATZ FREIGESTELLT’, wordt in oktober 1942 op zijn persoonsbewijs gestempeld. Hij is voorlopig vrijgesteld van deportatie. Het dienstmeisje, Lili Deutzehová, wordt weggevoerd; in september 1942 zal zij op 35-jarige leeftijd in Auschwitz vermoord worden. Eind september 1943 zijn er officieel geen Joden meer in Den Haag.

Idi speelt met dorpsvriendjes op de groene Stadsbleek en toont zich een leider die weet hoe je van het frame van een oude fietsjasbeschermer, een oude autobinnenband en de tong van een schoen een katapult maakt. ‘Niet met stenen schieten’, zegt hij; ze schieten met kastanjes.

We veronderstellen dat het gezin Elzas vóór september 1943 een onderduikadres heeft gevonden, waar ze uiteindelijk op een kwade dag met z’n drieën zijn opgepakt. Ze worden in de Deutsches Untersugungs- und Strafgefängnis in Scheveningen gevangen gezet, het zogenoemde Oranjehotel, waar vernedering van gevangenen aan de orde van de dag is. Op 5 februari 1945 worden zij naar Polizeiliches Judendurchgangslager Westerbork overgebracht, waar zij ruim 3 maanden later de bevrijding meemaken. Op 17 mei 1945 verlaten zij kamp Westerbork. Mozes is dan 59 jaar, Dorothea 54 en Idi 23 jaar oud.

Ze kunnen onmogelijk hun vooroorlogse leven zomaar weer oppakken. Ze hebben het overleefd, ook hun dochters, schoonzoons en kleinkinderen. Echter, ze maakten traumatische gebeurtenissen mee en raakten veel kwijt. Langzaam en zeker dringt de bittere waarheid zich aan hen op, familieleden, veel leden van de Joodse Gemeente in Borculo en veel meer Joden met wie zij zich verbonden voelen zijn gedood in de Duitse kampen.

Direct na de bevrijding geven de gebouwen van N. Elzas en Zonen onderdak aan geallieerde militairen. De fabriek is niet meer operationeel; alles is verloren gegaan, de gebouwen zijn verouderd en vervallen. Met veel moeite wordt de fabriek bedrijfsklaar gemaakt; er wordt weer geproduceerd.

In december 1945 keren Mozes, Dorothea en Idi terug naar Borculo. Het leven gaat door en brengt ook iets goeds: met een advertentie in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 21 november 1947 kondigen Idi Elzas en Helene Abrahams hun choepa aan, de Joodse trouwceremonie: ‘… Aansluitend receptie tot half vier … Toek. adr.: “Belmidi” Borculo’. Mozes en Dorothea maken plaats en verhuizen naar Den Haag.

In de jaren 1947 tot 1949 corresponderen de vennoten, Mozes en zijn broer Nathan, met de overheid over vergoeding van oorlogsschade aan de gebouwen van de fabriek. In 1955 wordt hen een bedrag toegekend. Zes jaar eerder, op 11 september 1949, overlijdt Mozes in Den Haag. Hij wordt begraven op de Israëlitische begraafplaats in Wassenaar. Dorothea blijft alleen achter. Voor de spil van het huiselijk leven, rustpunt in het drukke zakenbestaan van haar man, is het stil geworden.

Artikel uit de Telegraaf, 1953.

Idi volgt zijn vader op als vennoot van N. Elzas en Zonen, samen met zijn elf jaar oudere neef Abraham Samuel, zoon en opvolger van Nathan Elzas. De fabricage van perkament in Borculo stuit op moeilijkheden: de gebouwen zijn aan vervanging toe en de voorschriften voor het bedrijf worden strenger. Zij maken plannen om de perkamentfabricage naar Celbridge in Ierland te verplaatsen, waar de regels soepeler zijn en arbeidskracht goedkoper. In de vroege jaren 50 stichten ze daar een nieuwe fabriek: N. Elzas en Zonen, manufacturers of parchment, vellum and drumheads. Onderhandelingen met gemeente Borculo over verkoop van het fabrieksterrein zijn vanaf 1953 in volle gang. De gemeente heeft vanwege de gunstige ligging veel interesse in het perceel. Uiteindelijk zal de grond op 12 april 1962 eigendom van de gemeente worden. N. Elzas en Zonen is vanaf nu volledig gevestigd in Celbridge, Ierland. Idi en zijn vrouw Helene wonen in Dublin, evenals medevennoot Abraham Samuel en zijn vrouw Judith. Dorothea blijft in Den Haag wonen. Zij sterft op 20 oktober 1966 in Dublin.

Na de dood van Idi in 1989 zet bedrijfsleider Joseph Katz de perkamentfabriek voort. De naam verandert hij in Vellum and Parchment Works Limited. De gloriejaren van N. Elzas en Zonen van voor de oorlog zijn voorgoed voorbij.