De familie Engelsman

Peter Engelsman overleefde de oorlog in de onderduik. Na de bevrijding werd hij herenigd met zijn ouders en broertjes die enige maanden in kamp Westerbork gevangen hadden gezeten. Een getuigenis uit het Amerikaanse Shoah-archief van de USC Shoah Foundation.

Hond in kamp Westerbork.

De familie Engelsman

Geïnitieerd door de bekende Amerikaanse regisseur Steven Spielberg begon het USC Shoah Foundation Institute in de jaren negentig van de vorige eeuw met het interviewen van ooggetuigen van de Holocaust. Tientallen jaren later bevat het archief ruim 52.000 interviews, voornamelijk met overlevenden, waarvan tweeduizend een relatie met Nederland hebben. Enkele honderden van deze “Nederlandse” getuigenissen hebben betrekking op de geschiedenis van kamp Westerbork.

Zo ook het verhaal van Isaac “Peter” Engelsman.

Peter Engelsman groeit in de jaren dertig op in Amsterdam waar hij woont in de omgeving van de Dijkstraat, een levendige en avontuurlijke buurt. Vader Louis (1904) is koopman in diverse artikelen, moeder Emma (1905), een rustige persoonlijkheid, is huisvrouw. Peter is de oudste van drie kinderen. Na hem (1928) worden in 1933 en 1935 zijn broertjes Joel en Max geboren. In het gezin wordt weinig aan religie gedaan, alhoewel Louis en Emma wel traditioneel zijn ingesteld. Als Peter wat ouder is, trekt hij regelmatig met zijn vader de provincie in om hun handelswaren aan de man te brengen.

Na de inval van de nazi’s in mei 1940 verandert er in eerste instantie weinig binnen het gezin, zo vertelt Peter in zijn interview. Het leven gaat aanvankelijk gewoon verder totdat in 1941 de eerste anti-Joodse maatregelen in het leven worden geroepen. Thuis wordt daar weinig over gesproken. Mogelijkheden om te vluchten of onder te duiken worden door Peters ouders aanvankelijk niet overwogen.

Peter wordt vanaf dat moment door zijn moeder belast met het zoeken naar voedsel. Regelmatig trekt hij de provincie in, soms helemaal tot in de kop van Noord-Holland.

In 1943 duikt het gezin alsnog onder in een huis aan de Zwammerdamstraat. Ze begeven zich wel op straat, maar dragen dan geen Jodenster. In april 1944 wordt vader Louis opgepakt en naar Westerbork weggevoerd waar hij in eerste instantie in de strafbarak terechtkomt. Peter, zijn moeder en broertjes blijven alleen achter. Peter wordt vanaf dat moment door zijn moeder belast met het zoeken naar voedsel. Regelmatig trekt hij de provincie in, soms helemaal tot in de kop van Noord-Holland.

Als Peter begin maart 1945 op één van zijn zoektochten terugkeert naar Amsterdam blijken zijn moeder en broertjes verdwenen te zijn. Bij de buren ligt een briefje van de Joodse Raad waarin hij wordt opgeroepen om zich te melden om bij zijn familie, inmiddels herenigd met vader in Westerbork, gevoegd te worden. Peter weigert, verlaat Amsterdam en gaat op weg naar het bevrijde zuiden van Nederland.

Zijn reis brengt Peter Engelsman uiteindelijk in tegengestelde richting naar de provincie Drenthe.

Al werkende, reizende op de fiets en te voet, komt hij in de late aprildagen van 1945 in het bevrijde Assen aan. Hier ontmoet hij zijn vader. Louis is al die tijd vanwege de niet-Joodse status van zijn vrouw in Westerbork gebleven. Met zijn vader gaat Peter naar kamp Westerbork waar hij zijn moeder en broertjes terugziet.

Op 17 juli 1945 verlaat de familie Engelsman Westerbork, inclusief een door moeder in het kamp geadopteerde hond. Ze keren terug naar Amsterdam waar in 1946 een zusje wordt geboren.

Van de rest van de familie blijkt niemand de oorlog overleefd te hebben.