De familie Kruijer

De uit Arnhem afkomstige Zilpa Kruijer (1918) verliet om de veiligheid van haar helpers te waarborgen, haar onderduikplek en werd opgepakt. In kamp Westerbork ontmoette Zilpa haar toekomstige man.

Zilpa Kruier,rechts, aan het einde van de jaren dertig.

De familie Kruijer

‘Ik had genoeg adressen om onder te duiken. Maar ja, ik was het type, tja, als ik ergens één nacht was, dan ging ik de volgende dag alweer weg. Ik hield het niet uit en dat was gevaarlijk voor iedereen. Ik ben misschien wel tien keer verdwenen, tot de ouders van een vriend een adres in de buurt van Driel vonden. Vanaf het moment dat ik daar kwam wist ik dat ik daar zou blijven. Als we hadden gezegd dat er geen geld meer was – ze kregen van mijn niet-Joodse stiefmoeder Anna Louise Klaiber (1903) 100 gulden in de week voor mijn verblijf – dan hadden ze mij niet afgewezen, want ze waren gek op mij en andersom. We kregen een band.

Op een gegeven moment deed in Driel het gerucht de ronde dat een bekende landverrader op zoek was naar Joden. Hij kende mij dus ik besloot bij mijn onderduikgevers weg te gaan. Toen ik dat vertelde, huilde de boerin vreselijk. Maar ik zei: “Als ik blijf, dan word ik opgepakt en jullie ook. Daar heb ik geen zin in.” Ik ging op de fiets terug naar mijn stiefmoeder. Een dag later begon operatie Market Garden. Als ik in Driel was gebleven, dan was ik naar het zuiden geëvacueerd en bevrijd. Nu liep ik in de evacuatie naar het noorden met de rest van de bevolking van Arnhem mee. Zo kwamen we terecht op een boerderij in Beekbergen. Met een stel andere Joodse evacués sliepen we in een stal, toen om zes uur ’s morgens de boerin binnenkwam. “Er zijn mensen voor jullie”. Het bleken Duitsers. Met een vrachtwagen werden we naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn gebracht. Met tientallen vrouwen lagen we daar in een kleine ruimte op stapelbedden, niet alleen Joodse vrouwen maar ook politieke gevangenen. We hebben er uiteindelijk een maand gevangen gezeten. Toen zijn we alsnog naar Westerbork gebracht. Mijn tante was er ook bij, die ging direct naar het ziekenhuis. Ze was in Apeldoorn door haar been geschoten.

Met een vrachtwagen werden we naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn gebracht. Met tientallen vrouwen lagen we daar in een kleine ruimte op stapelbedden, niet alleen Joodse vrouwen maar ook politieke gevangenen.

Vanuit Westerbork vertrokken geen transporten meer en wij wisten dat de Engelsen aan de grens stonden. De Duitsers konden nergens meer heen, ze zaten een beetje te slijmen tegen ons. We moesten de eerste dag naar de Kleiderkammer om werkkleding te halen, want we moesten wel werken. Je kon bomen omhakken of aan de slag in de naaikamer. Ik was blij dat ik in de buitendienst kon komen. Toen we op zoek gingen, kwamen we onderweg een leuke jongen van een jaar of twintig tegen. “Hallo jongetje, waar is de Kleiderkammer?” De volgende dag zagen we hem weer. Wij roepen. Hij: “Moeten jullie niet werken? Wij: “”Wij niet, ga jij maar werken.” ’s Avonds komt die jongen de barak in en vraagt of ik met hem meega. Hij had een eigen kamertje met muziek en zo. Ik dacht wat zullen we nou hebben, zo’n snotkiep! Ik ga niet mee. Gaat hij naar mijn vader David Kruijer (1892), die was met mijn stiefmoeder inmiddels ook in Westerbork aangekomen, om te vragen of ik met hem mee mocht.

Die jongen was Jacques Tailleur. Hij kwam uit Amsterdam en was één van de eerste bewoners van het kamp had zich onmisbaar weten te maken. Na de bevrijding bleken zijn ouders en zusjes te zijn omgekomen in Auschwitz. Hij wist niet waar hij naartoe moest, daarom heb ik hem maar meegenomen naar huis. Ik deed de was voor hem, maar voordat die droog was, hadden we al ruzie, haha. In de textielwinkel van mijn vader was in die tijd genoeg te doen. Op een gegeven moment was Jacques niet meer bij ons weg te denken, hij was als een zoon voor mijn ouders. In 1946 zijn we getrouwd en zijn we een zaak in Amsterdam begonnen. In 1959 hebben we de winkel van mijn ouders overgenomen.’