De familie Levie

Riek Levie wist met haar broer en ouders de bevrijding in kamp Westerbork mee te maken. Lang wisten ze in de onderduik uit handen van de nazi’s te blijven om in oktober 1944 alsnog te worden opgepakt. Riek Levie heeft in het boek ‘Mijn Levenspad’ haar levensverhaal opgetekend.

De kinderen Levie in hun jonge jaren.

De familie Levie

‘Mijn wieg stond op de Melkmarkt in Zwolle. Daar werd ik op 20 november 1929 ingelegd als tweede telg van Jozef en Kitty Levie-Hompes en als zusje van Jules, die op 11 februari 1928 het levenslicht aanschouwde. Lien werd op 17 juni 1933 geboren en met haar was het gezin compleet. Wij woonden boven “De zaak”, zoals ons bedrijf in de familie werd genoemd. De zaak bestond uit een groothandel van textiel en aanverwante artikelen, die in 1891 door twee broers van opa David Hompes was opgericht. Opa voegde zich na een aantal jaren bij zijn broers, maar vervolgens verlieten de broers één voor één het bedrijf. Nadat mijn ouders trouwden, kwam mijn vader bij opa in de zaak, evenals oom Ies, de broer van moeder. Oorspronkelijk Gebr. Hompes geheten, werd de naam veranderd in Hompes NV. Zo bleef het tot de liquidatie in 1953.

Tot het begin van de Tweede Wereldoorlog was mijn leven heel onbezorgd. Ik heb heldere herinneringen vanaf mijn vijfde levensjaar. Bijvoorbeeld aan de zomervakanties, wanneer we altijd een buitenverblijf huurden in Hattem of Wapenveld, aan de rand van de Veluwe, in de bossen maar niet ver van huis. Wij werden al vroeg gestimuleerd om mee te helpen in het huishouden. Vooral in de zomermaanden, als het wecktijd was. We hielpen met het schoonmaken van groenten, leerden sperciebonen afhalen en breken, snijbonen door de molen draaien, erwten doppen en wortels krabben.

Ik was ruim 10 jaar toen op 10 mei 1940 ‘s morgens in alle vroegte de sirenes begonnen te loeien en via de radio werd bekendgemaakt dat de Duitsers Nederland waren binnengevallen. De eerste weken van de oorlog was ik behoorlijk van streek. De sirenes van 10 mei waren zo in mijn lichaam geslagen dat ik tot op heden bij welke sirene dan ook last krijg van krampen en zenuwen. Mijn ouders konden me met geen stok de deur uit krijgen. Ik wilde de Duitse soldaten niet zien. Het duurde een paar weken om me te overtuigen dat ik niet binnen kon blijven zitten. De gewone routine moest zoveel mogelijk intact worden gehouden. Dat betekende onder meer naar school gaan.

Van 1941 mochten Joodse kinderen niet langer naar openbare scholen gaan. Door omstandigheden kwam ik op de Joodse school in Apeldoorn terecht en verbleef het hele schooljaar 1941-1942 bij familie in die stad. Aan het begin van de zomer ’42 ging ik terug naar huis. Dat was niet eenvoudig, want de maatregelen tegen Joden waren gedurende het jaar strenger geworden. Behalve de oprichting van aparte Joodse scholen werd in 1942 de Jodenster ingevoerd en mochten Joden niet meer zonder vergunning met het openbaar vervoer reizen. Hiervoor vond vader een oplossing. Op een dag kwam hij zonder ster met de fiets vanuit Zwolle naar Apeldoorn gereden, een afstand van ongeveer veertig kilometer; de volgende dag stapten we allebei zonder ster op de fiets terug naar Zwolle, waar we een paar uur later zonder controle veilig arriveerden.

 Riek Levie in het midden met strik.

Berichten over het lot van naar Duitsland en Oost-Europa weggevoerde Joden deden mijn ouders besluiten om onder te duiken. Op 11 februari 1943, de verjaardag van Jules, vertrokken we uit onze woning, vader, moeder en de drie kinderen. Die avond werden wij kinderen opgehaald door een personeelslid van de zaak, die ons de eerste onderduiknacht in Zwolle onderdak gaf. Tot mijn spijt ken ik lang niet alle namen van de mensen die ons in deze periode te hulp zijn gekomen. In de eerste plaats was het veiliger om namen achterwege te laten, daarnaast werd je in die tijd als dertienjarige niet geacht alles te weten.

Die eerste maanden van mijn onderduik waren door heen en weer gesleep van adres naar adres de moeilijkste. Toen ik in augustus 1943 met mijn ouders en Jules bij de familie Eckhardt in Balkbrug werd herenigd, voelde ik me door hun aanwezigheid meer beschermd. Maar ook toen was het niet eenvoudig om de hele dag met zijn allen in één kamer te leven. De spanning liep wel eens hoog op, maar we wilden overleven en hielden vol.

Op ons adres in Balkbrug zat nog een Joodse onderduiker, een man van rond de 75 uit het westen van het land. Het gastgezin bestond uit een echtpaar met drie kinderen. De heer des huizes was broeder in het psychiatrisch ziekenhuis in Avereest. Mevrouw deed de huishouding en zorgde voor de kinderen. Wij hielpen zoveel we konden, maakten groenten schoon en schilden de aardappels. Vader zorgde dat de mesjes vlijmscherp waren zodat we, en daar lette hij op, zo dun mogelijk konden schillen.

Het waren aardige mensen die ons onderdak gaven, en onderlinge verstandhouding was uitstekend. Maar in de lentemaand van ’44 kondigden de Eckhardts aan dat ze gezinsuitbreiding verwachtten en dat wij een ander onderkomen moesten zoeken. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Maar dankzij oude klanten lukte het ons opnieuw. We kwamen uiteindelijk allen terecht bij het kinderloze echtpaar Brand, van wie de man eveneens broeder was in het ziekenhuis. Een schuilplaats hadden we niet in dit huis, en dat kwam ons duur te staan. Want toen in oktober ’44 geen enkele man zich meldde voor de verplichte Arbeidseinsatz in Duitsland, werd bevel tot huiszoeking gegeven. Ook bij ons verschenen Duitsers aan de deur. De radio was net op tijd onder de vloer verdwenen, maar wij konden ons niet meer verstoppen. Ondanks onze “goede” valse persoonsbewijzen, werden we opgepakt en meegenomen naar het centrum van Avereest.

Het was 9 oktober 1944. Urenlang stonden we, de geweren op ons gericht, met ons gezicht naar de muur van een huis. Daarna werden we per auto naar Zwolle vervoerd, naar het schoolgebouw waar Jules en ik als leerlingen hadden rondgelopen. ‘s Avonds werden we ieder apart in het huis van bewaring verhoord. Nog drie andere verhoren volgden, waarbij vader met de kolf van een geweer werd bewerkt. Maar alle vier hielden we, zonder dat we dat van tevoren hadden overlegd, vast aan onze valse identiteit: vader was meneer Ten Hopen, de stiefvader van Jules (Olthuis), terwijl moeder en ik volgens de papieren aan elkaar verwant waren en uit Valkenswaard kwamen.

Het was 9 oktober 1944. Urenlang stonden we, de geweren op ons gericht, met ons gezicht naar de muur van een huis. Daarna werden we per auto naar Zwolle vervoerd, naar het schoolgebouw waar Jules en ik als leerlingen hadden rondgelopen.

Na drie dagen in de gevangenis in Zwolle en vier in het huis van bewaring in Meppel werd besloten ons naar Westerbork te brengen, ook al hadden ze niet uit ons gekregen wie we werkelijk waren. In een kleine geblindeerde bestelwagen werden we op 16 oktober naar Westerbork vervoerd, waar Duitse officieren ons opwachten. Uiteraard vond ook daar weer een verhoor plaats, Jules werd meegenomen en flink afgetuigd. Maar ook bij deze mishandeling kwamen er geen zaken aan het licht die we kwijt wilden. Toen de officieren inzagen dat er met ons niets te beginnen viel, werden we overgedragen aan de andere beambten in het kamp. Zij brachten ons naar onze voorlopige onderkomens: vader en Jules in barak 15, moeder in barak 14, precies daar tegenover. Zaaltjes vol stapelbedden.

Het kamp was geen luilekkerland. Er moest gewerkt worden. Op Hollandse klompen en in overalls liepen we rond. Schoenen dragen mochten we niet. Moeder en ik werkten in de aardappelkeuken, die naast de grote kookkeuken lag. De hele dag door zaten er vrouwen aardappels te schillen, die in grote teilen werden verzameld en door twee andere vrouwen naar de grote keuken werden gebracht. Eerst moest ik ook schillen, later hoorde ik bij de twee vrouwen die de aardappels naar de keuken moesten sjouwen. Dankzij mijn toegang tot de kookkeuken kon ik daarbij nog wel eens ongemerkt met mijn gereedschap een hapje meepikken.

In december 1944 deed het gerucht de ronde dat er een uitwisseling zou plaatsvinden met Duitse gevangenen. Wij kampbewoners waren kennelijk uitverkoren. Wie wilde, kon zich aanmelden. Mijn ouders, broer en ik hadden daar wel oren naar. Maar wilden we als gezin gaan, dan moesten we onze eigen identiteit weer aannemen. Kon dat? Intussen waren meerdere bewoners door mijn ouders in vertrouwen genomen en ingelicht over onze ware identiteit. Onder hen waren ook personen van de Joodse kampleiding. Na heimelijk overleg besloten ze dat we zonder verdere moeilijkheden of gevolgen onze eigen namen weer konden gebruiken. De uitwisseling ging uiteindelijk niet door, maar bij ons was een bron van spanning weggenomen.

Begin april 1945 hoorden we berichten dat de geallieerden voor het Oranjekanaal lagen, een paar kilometer ten zuiden van Westerbork. De Duitse kampleiding werd merkbaar nerveus en op de avond van 11 april hesen de manschappen en officieren zich stomdronken en namen de vlucht naar een onbekende bestemming. Wij bleven vogelvrij achter. Toen de volgende dag het gerucht de ronde deed dat de Canadezen bij de kampboerderij waren aangekomen, was er geen houden meer aan. Iedereen die lopen kon, rende in de richting vanwaar de soldaten moesten komen. We troffen ze aan in de buurt van de boerderij. Wat volgde was een overweldigend tafereel. Mensen klommen uitgelaten op de tanks om het leger te begroeten. De soldaten op hun beurt deelden sigaretten en chocolade uit, producten die we lang niet in onze handen hadden gehad. Er werd gelachen en gehuild, en vol ontroering liep ik naast één van de tanks langzaam in de richting van het kamp.

Vreemd genoeg werden we na die uitbundige ontmoeting toch weer als gevangenen behandeld en moesten we binnen de poorten blijven. Niemand mocht het kamp verlaten voordat iedereen op politieke betrouwbaarheid was gecontroleerd. Vader vond ons echter politiek betrouwbaar genoeg om te vertrekken. Voordat het licht werd vertrokken we zonder toestemming op 19 april 1945 uit kamp Westerbork. Binnen enkele dagen waren we terug bij ons oude huis in Zwolle. Er zaten twee geëvacueerde gezinnen uit IJmuiden in, maar het zakelijke gedeelte van de woning stond leeg. Er zat niets anders op dan daar maar in te trekken. We moesten ons aanpassen, de draad weer oppakken en in een routine komen.

Riek na de oorlog als eerste vrouwelijke automonteur van Nederland.

Vader en moeder hadden de belangrijke taak om de zaak weer op poten te zetten. Er moest brood op de plank komen. Ik ging in eerste instantie terug naar het HBS waar ik in 1942 op was begonnen. Ik zag er echter als een berg tegenop om nog twee klassen in de schoolbanken te moeten doorbrengen. Op m’n achttiende ben ik in overleg met m’n ouders van school gegaan. Via onze buurman die een zaak in reserve onderdelen voor auto’s had, kwam ik terecht in de wereld van de autotechniek. Korte tijd later schreef ik mij in bij de Auto Technische School in Apeldoorn.

In het voorjaar van 1951, na een bezoek aan Israël waar naar mijn broer was geëmigreerd, besloten mijn ouders ook zelf de stap te wagen en naar Israël te vertrekken. De rest van de familie, waaronder ik, ging mee. Op 6 juli 1953, alles was ingepakt, de meubelen stonden klaar, ving onze reis aan. Met de auto vertrokken we via België, Frankrijk en Zwitserland naar Zuid-Italië waar een schip klaarstond om ons naar het beloofde land te brengen.

Mijn ouders zijn in het begin van de jaren zestig in Israël gescheiden. Vader hertrouwde met Erna Glazer, maar moeder bleef alleen. Om in haar onderhoud te voorzien, nam ze tot haar pensionering allerlei baantjes aan. Vanaf 1966 tot 1981 woonde ze op steenworp afstand van me en gebruikte ik dagelijks bij haar de warme maaltijd. In 1981 verhuisde ze naar Beth Joles in Haifa, waar ze hele goede jaren heeft doorgebracht en op 28 maart 2000 op bijna 93-jarige leeftijd is overleden.

Vader en Erna verhuisden in 1979 naar Beth Juliana in Herzlia. Nadat hij al enige hersenbloedingen had overleefd, liep hij in 1984 een interne infectie op die op de eerste dag van Pesach, 17 april 1984, een einde aan zijn leven maakte. Hij werd 81 jaar. Erna is een paar jaar daarna op hoge leeftijd overleden.

Terugkijkend was ons vertrek naar Israël misschien wel de beste beslissing uit mijn leven. Allemaal zijn we overtuigd dat de ‘Alija’ vanuit Nederland een zegen is geweest: Israël is ons thuisland.’