De familie Parsser

Oud-geschiedenisdocent Hans Piek schreef een bijzonder portret over Jacob Parsser en zijn gezin. Parsser werd vanwege zijn werk als diamantair in juli 1943 uit Westerbork vrijgelaten, maar met zijn vrouw begin 1945 opnieuw in het kamp gevangen gezet.

Greppels graven.

De familie Parsser

In een gefilmd interview voor het Visual Shoah Archive van de USC Shoah Foundation aan het eind van zijn leven, hij woonde inmiddels al geruime tijd in Israël, noemt Jacob Parsser het feit dat hij de oorlog overleefd heeft een wonder. Niet één wonder, maar meerdere. En of het nu letterlijk wonderen waren in bijbelse zin of een aantal keren enorme mazzel: het gezin Parsser, Jacob, zijn vrouw Isabella, en hun kinderen Zadok en Dorothea, is meerdere malen door het oog van de naald gekropen. Soms door geluk, maar ook door koelbloedig optreden.

De eerste keer was begin 1943: Duitse soldaten kwamen aan de deur om Isabella en haar kind, Dorothea, geboren in juni 1942, op te halen. ‘Maar dat kan helemaal niet, ik zoog het kind’, zei Isabella toen en de Duitsers dropen af. Isabella werd in 1912 in Lochem geboren. Haar vader, Mozes Elzas, was medevennoot in een bedrijf dat perkament maakte, het enige in Nederland, gevestigd in Borculo. Hij en zijn vrouw, Dorothea Nanny Breslauer, kregen drie kinderen: Isabella, Maria en Abraham Isidoor. Vader Mozes reisde voor de zaak door Europa en schreef artikelen over de productie van perkament. Daarnaast was hij maatschappelijk actief: voorzitter van de Joodse gemeente in Borculo, voorzitter van het bestuur van de Talmoedschool, voorzitter van het Rode Kruis en in 1939 lid van het Comité voor Joodse Vluchtelingen. Net als hun dochter kwamen ook Mozes en Dorothea met hun jongste kind in kamp Westerbork terecht en ook zij maakten daar de bevrijding van het kamp mee.

Jacob kwam uit een Amsterdamse familie. Zijn opa was diamantslijper, zijn vader, Zadok, was diamantsnijder. Jacob was aanvankelijk ook diamantsnijder en werd later commissionair in diamant: hij kocht en verkocht diamanten in opdracht van anderen. De ouders van Jacob, Zadok Parsser en Lea van Amerongen, hadden niet het geluk dat de ouders van Isabella hadden: ze werden in Sobibor vermoord. De zus van Jacob, Jenny Poulina en haar man werden in Auschwitz vermoord. Ook een groot deel van zowel de broers, zussen, neven en nichten van Zadok als die van Lea werden vermoord.

Na hun huwelijk gingen Jacob en Isabella inwonen bij de ouders van Jacob op Nieuwe Keizersgracht 60. Ze woonden daar nog maar net; in 1938 waren ze van de Nieuwe Keizersgracht 17 gekomen. In het interview, uit 1995, Jacob was toen dus 87 jaar, vertelt hij hoe het er in zijn jeugd aan toe ging. Het was een Joods religieus gezin waar de vrijdagavond gevierd werd met een wit tafelkleed, kip en… snoepjes. Zijn vader en moeder (Zadok en Lea) waren druk met sociale activiteiten: wassen van overledenen, het bestuur van de synagoge aan de Rapenburgstraat en vicevoorzitter van de diamantbeurs. Jacob vertelt in het interview dat er in zijn ouderlijk huis vaak gasten waren, meestal uit Joods Amsterdam.

Jacob ging naar de HBS, leerde Hebreeuws, eerst thuis, en later van een speciale leraar. Na de HBS leerde hij het klonen van diamanten en kwam in de dertiger jaren bij zijn vader in de zaak. Daarvoor moest hij geregeld naar Antwerpen. Het gezin ging ook op vakantie, in die tijd niet iets wat iedereen zich kon veroorloven, en ontmoette zo Isabella, in het Belgische Spa. Op 28 februari 1939 trouwden ze in Borculo. Al gauw werd hun eerste kind, Zadok, geboren, op 6 december 1939.

Jacob herinnerde zich het begin van de oorlog: vliegtuigen, nieuws over de Duitse inval op de radio en dat hij bang was. Hij vertelt dat het antisemitisme aan het begin van de oorlog nog wel meeviel, maar ook over de eerste razzia’s waarbij vrienden van hem werden opgepakt, het verplicht dragen van de ster, de dikke ‘J’ in zijn persoonsbewijs. Omdat hij diamantair was kreeg hij vrijstelling van transport, ‘Bis auf Weiteres’: de Duitsers waren van plan de diamantproductie in Amsterdam voort te zetten en hadden daar vakmensen voor nodig.

Toen in 1942 de deportaties begonnen doken de ouders van Jacob onder, maar ze werden verraden, opgepakt, naar Westerbork gestuurd en in Sobibor vermoord. Aan de waterkant van de Nieuwe Keizersgracht is een monument voor de uit die buurt weggevoerde en vermoorde Joden: ook de namen van Zadok en Lea Parsser staan er vermeld. De Jodenvervolging was voor Jacob en Isabella letterlijk op straat te zien: ze woonden naast het hoofdkantoor van de Joodse Raad waar elke dag rijen mensen voor de deur stonden in de hoop een briefje met vrijstelling van transport te krijgen.

‘Omdat je daar nodig bent als diamant bewerker.’ Jacob: ‘Ik ben niet geïnteresseerd om naar huis te gaan.’
‘Wieso?’ Jacob: ‘Ik heb vrouw en kinderen hier.’ Gemmeker: ‘Frau und Kinder gehen mit.’
En dat was, wat Jacob noemde, wonder twee.

En toen werd het 26 mei 1943. Zoals beschreven waren er in het begin van het jaar al Duitsers aan de deur geweest, maar nu ging het anders. De hele buurt werd afgezet: een grote razzia en met geluidwagens werd de bewoners opgedragen thuis te blijven. Jacob verliet via de tuin de woning en ging achterom naar het pand van de Joodse Raad. Daar vroeg hij Abraham Asscher, een van de voorzitters van de Joodse Raad, om hulp, maar die zei dat hij niets kon doen. Er bleef niets anders over dan een rugzak te pakken, met ouders, Isabella en de twee kinderen naar de nieuwe synagoge te gaan en daar geregistreerd te worden. Vervolgens ging het met de tram naar station Amsterdam Muiderpoort en vandaar naar kamp Westerbork. Jacob noemt zich in het interview naïef: ‘We dachten dat we naar een werkkamp zouden gaan.’

In Westerbork moest hij kuilen graven. Hij vond dat het ‘er uit te houden was’. Op een morgen werd hij gewekt en moest hij bij de kampcommandant komen. Die vertelde hem dat hij met zijn gezin naar Vught moest. Daar zou een nieuwe diamantfabriek opgericht worden. Ze bleven slechts kort in kamp Vught, in juni ging het met een treintransport alweer naar het noorden. Jacob noemt Vught slecht: er werd geschreeuwd en geslagen.

De trein met het gezin Parsser stopte na enkele uren in Westerbork waar Zadok en Lea, Jacobs ouders, moesten instappen. Hierna zou deportatie naar ‘het Oosten’ volgen. Vlak voor vertrek werden Jacob, Isabella en hun kinderen echter uit de trein gehaald. De kinderen waren ernstig ziek en, zoals dat heette, ‘Transportunfahig’ (niet in staat om op transport te gaan). Jacob moest weer kuilen graven.

Korte tijd later werd Jacob bij Gemmeker, de kampcommandant, geroepen. Daar vond vervolgens het door Jacob in 1995 navertelde gesprek plaats. Gemmeker: ‘Je kunt naar huis gaan’, Jacob: ‘Waarom?’
‘Omdat je daar nodig bent als diamant bewerker.’ Jacob: ‘Ik ben niet geïnteresseerd om naar huis te gaan.’
‘Wieso?’ Jacob: ‘Ik heb vrouw en kinderen hier.’ Gemmeker: ‘Frau und Kinder gehen mit.’
En dat was, wat Jacob noemde, wonder twee.

En zo zaten ze in een nagenoeg lege trein op weg naar Amsterdam, waar ze naar hun verzegelde woning gingen. Ze verbraken de zegels en woonden weer op Nieuwe Keizersgracht 60. Maar Jacob was inmiddels niet zo naïef meer. Na terugkomst in Amsterdam vroeg hij kinderarts Philip Fiedeldij-Dop de kinderen te laten onderduiken. Hij vertelt, zichtbaar geëmotioneerd: ‘Dat was een zware beslissing.’

Een wens was wel dat de kinderen in de opvanggezinnen een Joodse opvoeding zouden krijgen als hun ouders het niet zouden overleven. Zadok jr. en Dorothea werden door een meisje van huis gehaald; Jacob en Isabella wisten niet waar ze heen gingen…. Zadok kwam in Treebeek, Limburg, terecht. Daar woonde Jan Bosch die talloze Joodse kinderen onderdak wist te verschaffen. Zadok kwam bij Gertrude en Theo van Eckevoort waar hij bijna twee jaar bleef. Theo, Gertrude en Jan Bosch kregen later de onderscheiding ‘Rechtvaardige onder de volken’.

Dorothea ging naar Sneek waar ze bij de familie van Hulst onderdak vond. Jacob en Isabella bleven nog tot september in Amsterdam. Toen kregen ze bericht van een zuster van Isabella om naar Den Haag te komen. Met niet erg goed gemaakte valse persoonsbewijzen reisden ze er naar toe. Isabella werd bij het centraal station in Amsterdam aangehouden, kreeg vragen maar mocht doorlopen; Jacob, die achter haar liep, dacht haar nooit weer te zullen zien. In Den Haag doken ze onder. Tot ze, in januari 1945, door verraad, alsnog werden gepakt.

Jacob en Isabella belandden in de Scheveningse gevangenis en werden na tien dagen naar Westerbork gebracht. Die reis duurde drie dagen vanwege bombardementen op de trein bij Amersfoort. Op 5 februari kwamen ze in Westerbork aan waar Jacob weer aan het werk moest: nu bij het uit elkaar halen van batterijen. Dat was zo smerig dat, zoals hij zei: ‘Het waswater waarmee ik mij een half jaar later waste nog steeds zwart werd.’

Sonder-Ausweis van Jacob uit 1945.

Op 12 april 1945 werd kamp Westerbork door de Canadezen bevrijd. En op 29 april werd er een pakket bezorgd voor Jacob en Isabella. Toen ze het open maakten stapte Zadok jr. er uit. Die was vanuit Limburg naar Westerbork gebracht. Ook Dorothea overleefde en het gezin werd herenigd in Amsterdam.

Jacob en Isabella bleken alles kwijtgeraakt. Hun huis aan de Nieuwe Keizersgracht was door een ander ingenomen en ze werden opgevangen in het Portugese ziekenhuis. Toen Jacob bij de gemeente aanklopte om huisvesting was het eerste dat hij hoorde dat hij een woonvergunning nodig had. Op 1 november worden ze ingeschreven op Lekstraat 152. Ze wisten inmiddels dat de ouders van Jacob, zijn zuster en haar man vermoord waren. De twee kinderen van Jenny Poulina en haar man Nathan Dusseldorp hadden de oorlog overleefd: Simon, geboren in 1937, was ondergedoken in het Gelderse Neede bij Evert en Harmina Hesselink, Zadok Abraham heeft in Groningen de oorlog overleefd.

Jacob wilde zijn neefjes als kind adopteren, maar kon de instanties niet overtuigen van de juistheid daarvan. Toen er na twee jaar nog geen schot in de zaak zat spande hij een rechtszaak aan en kreeg gelijk: Simon en Zadok Abraham woonden vanaf begin 1949 bij het gezin van Jacob en werden als broers en zusters met de kinderen van Jacob en Isabella opgevoed. Vanaf januari 1947 woonden ze aan de Diezestraat en daar werd in 1948 het derde kind van Isabella en Jacob geboren: Mozes.

Jacob hernam zijn oude werk als commissionair en reisde voor zaken over heel de wereld. Hij kwam in het bestuur van de Joodse gemeente, werd voorzitter van de diamantbeurs, en zat in meerdere andere besturen, zoals het Centraal Israëlitisch Ziekenhuis. In 1965 werd hij benoemd in de Orde van Oranje Nassau en in 1984 kreeg hij de Zilveren Medaille van de stad Amsterdam.

In datzelfde jaar emigreerden Jacob en Isabella naar Israël. Jacob is dan 76 jaar, Isabella 72. Jacob noemt als reden van de emigratie dat van de vijf kinderen er vier in Israël zaten en dat veel vrienden inmiddels waren overleden. Simon en Zadok Dusseldorp waren al in 1962 geëmigreerd, Zadok is in 1973 vertrokken na in Antwerpen getrouwd te zijn, en Mozes, de jongste, in 1971, toen hij trouwde in Israël. Overigens vinden we Mozes en zijn vrouw en Zadok in 1984 weer terug in Nederland.

Maar uiteindelijk is het hele gezin, met uitzondering van dochter Dorothea die in Londen trouwde en daar bleef wonen, naar Israël gegaan. Zadok kreeg vijf kinderen, Mozes drie en Dorothea vijf. In het interview toont Jacob zich niet echt tevreden met de opvang in Israël. ‘Slecht’, noemt hij die. ‘We moesten bij aankomst in de rij staan, in ons verhaal waren ze niet geïnteresseerd.’ En hij vervolgt met: ‘We hebben ons kunnen handhaven, kregen een beetje huishoudelijke hulp en moesten verder alles zelf betalen.’

Terugkijkend op zijn leven was Jacob in 1995, ondanks alles, ‘Wel dankbaar’. Hij had nog steeds ‘veel plezier van kinderen en kleinkinderen.’

Isabella Parsser overleed in 1995, na een aantal jaren waarin haar gezondheid achteruit ging.
Jacob is in 2000 overleden.