De familie Polak

Kampoverlevende Rebecca Polak (1938) beschrijft haar herinneringen als kind aan de onderduik, het kamp en de bevrijding. ‘Dat is het enige wat me later is blijven achtervolgen: zouden zulke dingen ook gebeurd zijn in kamp Westerbork?’

Rebecca Polak.

De familie Polak

‘Ik was twee jaar toen de oorlog uitbrak. Ik woonde met mijn ouders Frans Polak (1910) en Hendrika Polak-Viool (1914) op de Schieweg in Rotterdam. Voor mij een normale situatie. Wat ik me van die tijd wel herinner is dat ik met mijn moeder onder de trap zat om te schuilen.

Mijn ouders zijn later ondergedoken. Hierbij werden ze geholpen door twee werknemers van mijn opa (banketfabriek Viool) Freek van der Wal en Carel Möhring, dit waren echte verzetshelden. Zij brachten mijn vader en moeder en mijn vaders ouders onder op diverse schuilplaatsen in Zevenbergen. Mijn ouders bij Ans en Bert Post die goed voor hen zorgden.

Ik kwam bij “papa” Freek en “mama” Gien in Den Haag als hun “eigen” kind. Mij was goed ingeprent dat ik Bertha van der Wal heette en daar heb ik me nooit in vergist. Ik speelde gewoon buiten, maar ja, ze hadden me nooit verteld dat Gluukie, mijn Pekinees, ook van naam veranderd was. Dus vertelde ik de NSB-kinderen, die een eindje verder in de straat woonden, vrijuit dat die Gluukie Polak heette. Mijn pleegouders hebben doodsangsten uitgestaan, temeer daar zij ook haar broer verborgen (wat ik niet wist).

Eenmaal heb ik een visite afgelegd in Zevenbergen, samen met mijn pleegouders, waar mijn ouders ondergedoken zaten bij “tante” Ans en “oom” Bert. Het was voor hun ook een grote gebeurtenis.
Oom Bert was schilder en had al het meubilair in de lak gezet. Ik zei netjes “dag meneer” en “dag mevrouw” tegen mijn ouders. Ik wist niet beter. Het verdriet wat ik ze hiermee aandeed moet ongekend zijn geweest. Gluukie zat meteen met zijn vachtje vast tegen de nog niet geheel droge tafelpoot.

Ik was een slechte eter. Mama Gien had engelengeduld met mij. Hoewel ik soms (allang na het gezamenlijk eten) met mijn bord in de badkamer moest zitten tot het leeg was. Zo zat mama Gien mij weer eens blokje voor blokje brood met appel erop te voeren, toen iemand binnen kwam. Dat moet de tweede helft van 1944 geweest zijn. Ik voelde dat het gesprek niet goed ging en kogelde mijn blokje appel richting “Her Vogel” door mijn blokje als een katapult te drukken.

Huwelijksfoto Frans Polak en Hendrika Viool.

Achter op de fiets bij “Her Vogel” reed ik uiteindelijk naar een politiebureau ergens in Den Haag. Ik herinner me een verlicht lokaal met veel mensen. Een vrouw (mijn moeder) hield me dicht tegen zich aan. Ze hadden een pistool op mijn vaders hoofd gezet voordat mijn moeder uiteindelijk vertelde waar haar dochtertje was. Daarna zijn we lopend naar het Oranjehotel, de Scheveningse gevangenis gegaan.

Veel later heeft mijn tante me verteld dat mijn vader Frans Polak, zijn broer Jacques Polak (1914) (beiden geboeid), mijn moeder Hendrika Polak–Viool en ik samen daar naar toe gelopen zijn. En dat ze mij droegen, omdat ik dat niet haalde. Dat was vlak voor kerstmis 1944. In de gevangenis werden de mannen van de vrouwen gescheiden. Ik stond met mijn moeder met onze neus tegen witte muren in een lange gang.
Mijn moeder was bang dat ik om zou kijken en dat er dan iets met me zou gebeuren.

Uiteindelijk zat ik met mijn moeder en “tante” Jopie in een cel. Elke avond vlogen de V1–’s over. Ons licht kwam van de glazen koepel (plafond). Soms kregen we pakketten van het Rode Kruis. De dames maakten truffels van stroop met boter, herinner ik me. Als gunst mocht mijn moeder de gang zo nu en dan op haar knieën dweilen. Ik werd meerdere keren bij de twee vrouwelijke cipiers in hun gemeubileerde cel gebracht als afleiding voor hen. Daar kwam ook vaak “Her Vogel”, die altijd doorzaagde over mijn broertje. Die had ik niet. Pas veel later begreep ik dat dit onderdeel van de oorlogsmachine was waarbij hele gezinnen (families) eerst verenigd werden om vervolgens allemaal tegelijk vergast te worden.

Mij was goed ingeprent dat ik Bertha van der Wal heette en daar heb ik me nooit in vergist. Ik speelde gewoon buiten, maar ja, ze hadden me nooit verteld dat Gluukie, mijn Pekinees, ook van naam veranderd was. Dus vertelde ik de NSB-kinderen, die een eindje verder in de straat woonden, vrijuit dat die Gluukie Polak heette.

Op een dag stond op het terrein van de gevangenis een vrachtauto klaar. Er lag in het midden een vrouw op de grond. Zij had beenwonden, denk ik, en het stonk vreselijk. Wij, vrouwen en kinderen, werden er omheen gezet op houten banken en naar het station gereden. De reis met veewagens met alleen stro op de grond herinner ik me goed. Ik had nog steeds geen angst. Ik was kind en vertrouwde de volwassenen om me heen. Des te meer angst heerste er bij mijn moeder en de medegevangenen. Onderweg stopten we en kregen we op vetvrije papieren velletjes erwten. Dan zie je hoe moeders handelen die voor hun kinderen willen opkomen. Ook werd de trein stopgezet en goed afgesloten tijdens een bombardement. Mijn moeder lag over me heen in een hoek. Ik zag licht op de rails door de reten in de hoek. ’s Nachts werd er een tafel en twee stoelen in het midden gezet met twee oppassers.

In Westerbork kwamen we vanuit het donker in een fel verlichte zaal. Daar waren we lang, zoals ik later begreep om nagekeken te worden op namen, ziektes, en dergelijken. Het eerste wat ik me verder herinner is dat ik met mijn moeder door het kamp liep. Het regende en er lagen plassen overal op de grauwe zanderige paden. Ik had een gat in mijn schoenzool en liep “dus” op mijn hielen. Mijn moeder maakte zich daar erg druk over. Ik moest gewoon lopen. Achteraf bleek dat mijn moeder zwaar onder haar gewicht was en het allemaal niet meer aankon. Zij werd in de ziekenbarak opgenomen. Dat werd voor zover ik het begrepen heb door medegevangenen verzorgd. Bettie van Zuiden (naam die ik van na de oorlog ken) forceerde met beschimmeld brood en ander extra voedsel dat mijn moeder weer op gewicht kon komen.

Mijn vader en zijn broer moesten zich net als alle mannen melden bij een commandant. Mijn vader dacht: ‘als ik vroeg ga zullen ze misschien nog niet in een te slechte bui zijn.’ Mijn oom Jacques dacht: ‘als ik het laatst ga kom ik er misschien vanaf.’ En ja, mijn oom kreeg gelijk. Hij hoefde niet in de gevangenenbarak om te werken. Mijn vader kreeg een sing-sing (gestreept) pak aan en moest elke dag vroeg batterijen uit elkaar te kloppen voor de materialen. Hij was jong en vond dat niet erg. Hij zag ’s avonds zo zwart als roet.

Oom Jaques Polak.

Ik belandde in het weeshuis. Ik herinner me stapelbedden in zalen. Daar hoorde ik ’s nachts “grote jongens” huilen en begreep dat die veel verdriet hadden. Ik had ook luizen op mijn hoofd en mijn moeder stond erop dat daar direct iets aan gedaan zou worden. Zo liep ik dagen met een ingezwachteld hoofd met iets vies, totdat ik luizenvrij was. Overdag mocht ik bij oudere dames in barakken het liedje “tien kleine negertjes” zingen. Tien kleine negertjes die liepen in de regen, eentje viel er in een plas toen waren er nog maar negen, enz. Waarom de dames geëmotioneerd waren begreep ik toen nog niet. Ik kreeg dan van hen soms kampgeld. Met een verzorgster (medegevangene) van het weeshuis ben ik toen naar, wat eens de kampwinkel geweest was, gegaan. Daar kocht ik een pakje Juliennesoep-poeder en een doosje borstplaatjes, wat daar toen nog was. Tante Bettie zorgde dat mijn moeder de borstplaatjes allemaal opat. En later hoorde ik dat het pakje Juliennesoep goed van pas kwam, omdat mijn vaders eten was gestolen. Mijnheer Bram van Witsen, die als gevangene toezicht moest houden, zorgde voor heet water en zo kreeg mijn vader alsnog iets te eten.

Ik zie nog voor me hoe we met een groep kinderen door het kamp liepen en “Oranje Boven” zongen, totdat doodsbange gevangenen ons wisten te stoppen, je wist nooit wat er daardoor kon gebeuren. Op zo’n tocht wezen kinderen naar boven. Hoog in een boom hing waarschijnlijk een leren motorhandschoen, maar men zei: “kijk daar hangt een hand.” Dit is het enige dat mij later is blijven achtervolgen. Zouden zulke dingen ook echt gebeurd zijn in Westerbork?

Op een avond waren de Duitsers weg. Mijn oom Jacques Polak geboren op 22 maart 1914 in Den Haag verdween ook gelijk uit het kamp, naar mensen die hij kende in Frederiksoord. Hij is dus wel degelijk een overlevende van Westerbork al werd hij niet meer geregistreerd bij de overlevenden toen men daar aan begon.

De Canadezen bevrijdden ons. We kregen onder andere chocola, iets dat we niet kenden. Ook sigaretten natuurlijk, maar dat zei mij niets als kind. Sommige Duitsers werden teruggehaald. En daar stond ik met mijn vader rond het grote “sportveld” naar eindeloos opgezweepte Duitsers te kijken die nu op hun beurt afgebeuld werden, met alleen gymnastiek welteverstaan.

Tot de bevrijding van de rest van Nederland heb ik met mijn ouders in een huisje in het kamp gewoond. Toen werden we met vrachtwagens naar Rotterdam gebracht, waar we in het lege huis van mijn opa en oma konden wonen. Buren hadden een tafeltje en stoelen en een tweepits-gasstel in de keuken gezet. Wij voetbalden met een krantenpapieren-prop in de lege kamer. Zo hebben mijn ouders hun bestaan weer opgebouwd, onder andere met behulp van Freek van der Wal en Carel Möhring, die nu mijn ouders hielpen de fabriek weer voort te zetten.’