De familie Samson

Milla Veldman en Marije Volders van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap in Stadskanaal onderzochten het leven van de familie Samson: drie Duits-Joodse vluchtelingen die meer dan vijf jaar in kamp Westerbork gevangen zaten.

De Schülerkreis in 1939/1940.

De familie Samson

‘Toen de nazi’s in 1933 de macht overnamen werd in de familie geopperd dat het allemaal wel mee zou vallen. Het zou een “Siegestaumel” zijn; de soep zou niet zo warm gegeten worden als hij opgediend was. Ook in latere jaren leek het idee uit Duitsland te vluchtten nooit helemaal reëel voor mijn ouders. Wij, de kinderen, die elke dag op weg naar school met de gevolgen van de Jodenvervolging geconfronteerd werden, begrepen echter maar al te goed dat er voor ons in Duitsland geen toekomst weggelegd was.’

Aan het woord is Schlomo Samson, zoon van Jozef Samson (1899) en Cerline Hölzer (1902). Schlomo wordt in 1923 geboren in het huis van zijn grootouders. Zijn ouders zijn pasgetrouwd en hebben nog geen eigen woning. Drie jaar eerder is zijn vader uit Lodz naar Duitsland vertrokken, daarmee proberend de Poolse dienstplicht te ontlopen. Hij ontmoet Cerline Hölzer, trouwt korte tijd later en trekt bij zijn schoonouders in.

De Hölzers zijn net als de meeste Joden in Leipzig afkomstig uit Polen, alhoewel Cerline en haar moeder reeds in Duitsland zijn geboren. Het is een liberaal Joods gezin waar de sabbat wel wordt geëerd, maar geen koosjere keuken wordt gehouden. Waar naast de Joodse identiteit, de Duitse nationaliteit van belangrijke waarde is. Drie jaar na Schlomo wordt zoon Siegfried geboren. Vader Jozef heeft dan al een eigen woning voor het jonge gezin weten te bemachtigen.

In 1938 werkt Jozef Samson als een koopman en reist hij door heel Duitsland om zijn producten aan de man te brengen. Begin dat jaar bevindt hij zich in Bremen als hij ‘s nachts van zijn bed wordt gelicht. Als stateloze Jood – na zijn vertrek uit Polen heeft hij nooit de Duitse nationaliteit mogen aannemen – is het voor hem niet toegestaan om zich in de Hanzestad te bevinden. In de gevangenis wordt Jozef te kennen gegeven dat hij binnen enkele maanden het land moet verlaten of anders het concentratiekamp wacht. In augustus 1938 vertrekt Jozef uiteindelijk zonder zijn gezin naar Amsterdam waar broer Jack sinds 1932 woonachtig is. Schlomo:
‘Zo bleven wij, mijn moeder, mijn twaalfjarige broer en ik (vier maanden voor mijn vijftiende verjaardag), met wat gespaard geld, maar zonder enig inkomen achter met een zware en ongewisse toekomst voor de boeg.’

In november 1938 verlaat vervolgens ook Schlomo Duitsland, in juli 1939 gevolgd door Cerline en jongste zoon Sigi.

‘Moeder en Sigi zijn op een wonderbaarlijke manier uit Duitsland weggekomen. Mijn broer was helblond en leek in de verste verte niet op het stereotype Jood dat de nazi’s propageerden in die tijd. Toen hij in Leipzig op straat een aantal soldaten aansprak met de vraag waar zij heengingen hadden zij niet het flauwste vermoeden met een Joodse jongen van doen te hebben. Toen het antwoord Holland luidde en Sigi vertelde dat zijn vader daar ook was, boden de soldaten aan dat mijn broer en moeder naar Nederland mochten meerijden. Zij waren in de veronderstelling dat mijn vader eveneens een Duitse militair was.’

Mijn vader, moeder en broer stonden bij de laatste trein richting Theresienstadt op de transportlijst om gedeporteerd te worden, zo vertelden ze me achteraf. Ze zaten al gepakt en bezakt klaar tot op het laatste moment de boodschap kwam: tot nader order vrijgesteld van transport.

Via Jack Samson in Amsterdam komen Cerline en Sigi in kamp Westerbork terecht waar Jozef dan al enkele maanden woonachtig is. Na zijn vlucht naar Nederland in 1938 heeft hij in verschillende opvangkampen gezeten, voor hij eind februari 1940 naar Westerbork is gebracht. Een gelukkige speling van het lot heeft Jozef daar een belangrijke functie bezorgt.

‘In 1939-1940 werd het vluchtelingenkamp geleid door twee Nederlandse ambtenaren, directeur Sijswerda en zijn vervanger Pattist, die mijn vader kenden van het kamp aan de Zeeburgerdijk. Vader had blijkbaar een goede indruk op hen gemaakt, want kort na zijn aankomst werd hij benoemd tot leider van de afdeling arbeid. Hij en zijn medewerkers werden verantwoordelijk voor de verdeling van de kampbewoners binnen de verschillende werkafdelingen.’

In kamp Westerbork bewonen Jozef, Cerline, Sigi en vanaf 1942 ook Schlomo, een kleine tweekamerwoning in barak 18. Ze hebben bedden, een tafel en wat stoelen, kunnen elektrisch koken en er is de mogelijkheid zich te wassen. Ook is er een klein tuintje waar tomaten, sla, bloemen en een zelf geplante appelboom groeien. Het lijkt karig, maar vanaf 1942 is het in vergelijking met wat de meeste gevangenen als onderkomen krijgen, bijna een paleis.

Een paleis met daarbij Jozef Samson als koning. Zijn positie als ‘Minister van Arbeid’ geeft Jozef veel macht in Westerbork. Macht waar hij volgens sommige medegevangenen misbruik van maakt. Samsom zou omkoopbaar zijn, vertoond narcistisch gedrag en reageert vaak ijskoud. Een notitie van Philip Mechanicus in zijn dagboek In Depot:
‘Een Jood komt bij Samsom, een der bonzen, die grote invloed hebben, om hem te bewegen hem voor transport te bewaren. Samsom neemt de man van top tot teen op en zegt: “Was wollen Sie, Sie sind reines Transportmaterial.” IJskoud cynisme.’

Sigi Samson heeft zich ondertussen opgeworpen als één van de leiders van de belangrijkste jeugdorganisatie van het kamp, de Schülerkreis. In het Centraal Vluchtelingenkamp is deze Schülerkreis opgericht om de kinderen naast hun schoolwerk, een alternatief tijdverdrijf te bieden. Ten tijde van het doorgangskamp kunnen zich ook andere (Nederlandstalige) kinderen en jongeren aanmelden, zei het mondjesmaat. Samen met nauwe vrienden Günther Katz en Paul de Vries, vormt Sigi de “Sa-Ka-Vie”. Zij organiseren veel van de activiteiten van de Schülerkreis en beschrijven ze in zogenaamde Protokolle. Al deze Protokolle worden aan het einde van de oorlog samengevoegd in de Schülerkreischronik, die na de bevrijding in handen van Sigi komt. Zestig jaar na de bevrijding schenkt hij een kopie van de kroniek aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. ‘Ik hoop dat deze de lezer van vandaag zullen helpen het leven en de geest van de Schülerkreiskinderen te verstaan en mee te leven’, zo schrijft Sigi in de begeleidende brief.

Al die tijd worden de Samsons vanwege de functie van vader Jozef niet op transport gesteld naar het Oosten. In vergelijking met veel van de Nederlandse Joden lijken zij op het eerste gezicht de oorlog in Westerbork relatief goed door te komen. Begin 1943 vindt er echter een persoonlijk drama binnen het gezin plaats. Schlomo:

‘In de zomer van 1941 werd mijn moeder aan een goedaardige tumor in het ziekenhuis van Groningen geopereerd. Na de operatie herstelde ze vrij snel, wat heet, in 1942 bleek ze zwanger te zijn. Volgens de chirurgen in Groningen was dit eigenlijk na de zware operatie een jaar eerder niet mogelijk. In januari 1943 werd mijn zusje Marion door de zware medicatie die mijn moeder moest nemen, veel te vroeg geboren. Een beeldschone baby. Ze moest in het ziekenhuis van Westerbork in een couveuse verblijven. We zijn elke dag bij haar op bezoek geweest, tot ze na negen dagen alsnog kwam te overlijden. Marion ligt begraven op de Joodse begraafplaats in het nabijgelegen Assen.’

In 1944 besluit Schlomo Samson zich aan te melden voor transport naar het Austauschlager Bergen-Belsen. Vanuit hier zouden gevangenen met vooroorlogse inreispapieren voor Palestina naar het beloofde land vertrekken om uitgeruild te worden met zogenaamde Volksduitsers. Schlomo, die als Palestina-pionier in 1938 in Nederland is terechtgekomen, beschikt in tegenstelling tot zijn ouders en broer, over dergelijke papieren. Jozef, Cerline en Sigi blijven na zijn vertrek in Westerbork achter waar de bevrijding met de dag dichterbij lijkt te komen. Begin september 1944 komt als een donderslag bij hemel echter het bericht dat de familie alsnog naar het Oosten zal worden weggevoerd.

‘Mijn vader, moeder en broer stonden bij de laatste trein richting Theresienstadt op de transportlijst om gedeporteerd te worden, zo vertelden ze me achteraf. Ze zaten al gepakt en bezakt klaar tot op het laatste moment de boodschap kwam: tot nader order vrijgesteld van transport. Dat de familie op dat moment slechts uit drie (werkende) personen bestond had redding gebracht. Waren we met z’n vieren geweest, zo dacht mijn vader, dan waren we zeker naar Oosten weggevoerd.’

Na de bevrijding moeten Jozef, Cerline en Sigi tot begin juli 1945 in kamp Westerbork blijven. Daarna volgt vertrek naar Amsterdam waar ze in een kleine woning in de Dongestraat onderdak vinden. Aan het einde van de bevrijdingszomer worden ze herenigd met Schlomo die Bergen-Belsen ternauwernood overleefd heeft.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn Schlomo en Sigi Samson naar Palestina geëmigreerd.
Jozef en Cerline zijn tot hun dood in Nederland blijven wonen.