De familie Schliesser

Micha Schliesser (1938) was nog maar een kleine jongen toen hij in kamp Westerbork terechtkwam. ‘Westerbork was voor mij een betrouwbare omgeving. De enige plek op Amsterdam na, die ik kende. Ik wist niks van de wereld.’

Micha Schliesser.

De familie Schliesser

‘Ik was nog maar een baby toen ik in 1939 in Nederland aankwam. Mijn vader Herman (1907) was geboren in Polen en al snel verhuisd naar Duitsland. Hij kwam uit een intellectueel milieu. Mijn moeder Margarete (1904) kwam uit een eenvoudig Joods gezin. Zij had een groot tekentalent.

Mijn ouders deden het voor de oorlog goed in de Duitse confectie-industrie, maar zagen geen toekomst voor ons onder het naziregime; we vluchtten na de Kristallnacht weg uit Duitsland. Wij waren met legale papieren op weg naar Amerika, maar de Nederlandse marechaussee pikte ons vlak over de grens eruit: we mochten niet verder. We zijn in Oldenzaal uit de trein gehaald en hebben een nacht in de gevangenis moeten doorbrengen. Daarna zijn we naar Rotterdam gebracht. Later zijn we in een kamp op de Zeeburgerdijk in Amsterdam terechtgekomen.

Micha als kleine jongen.

Al snel daarna belandden we in Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork waar we een huisje kregen toegewezen. Vader had belangrijk werk in het kamp en daardoor hoefden wij niet mee met de latere transporten naar de vernietigingskampen. Ik herinner me een incident. Ik was bij een van de eerste transporten bij de trein aanwezig toen ik plotseling werd opgepakt en in een wagon werd gezet. Een andere man zei toen: “Hij is een Schliesser, hij hoeft niet op transport.” En toen werd ik er weer uit gehaald. Mijn vriendjes echter “verdwenen” soms zomaar; de trein nam hen mee.

De vertrekkende transporten zorgden voor grote spanningen, ook bij ons in de barak. Ik herinner me de ruzies. Voortdurend werd er gekibbeld. Er was altijd drukte.

De vertrekkende transporten zorgden voor grote spanningen, ook bij ons in de barak. Ik herinner me de ruzies Voortdurend werd er gekibbeld. Er was altijd drukte. Als ik die drukte wilde ontvluchten, of als ik me ongelukkig voelde, dan verstopte ik me in de kast. Veel ging over of langs mij heen. Aan een kind werd toen niet veel uitgelegd. Als ik ’s avonds moest gaan slapen en ik lag in bed in een andere kamer, en er kwamen mensen op bezoek, dan hoorde ik vaak: “Micha slaapt, graag zacht praten.”

Ik groeide op in het kamp. Ik speelde, ging naar school en zwierf tussen de barakken. Daarnaast “organiseerde” ik voedsel. Ik was ook vaak ziek. In Westerbork waren twee soorten kinderen: de opstandige die onhandelbaar waren en de angstige die niets durfden te vragen. Ik behoorde tot die laatste groep. Westerbork was voor mij een betrouwbare omgeving. De enige plek op Amsterdam na, die ik kende. Ik kende iedereen. De ‘Alte Lagerinsassen’ waren voor mij bekende figuren.

De moeder van Micha in het vluchtelingenkamp Westerbork.

De bevrijding heb ik bewust meegemaakt. We waren allemaal in de grote registratiezaal. Toen vertelde een kampgevangene dat de Canadezen bij het Oranjekanaal waren aangekomen. Robby Engel heeft me toen op de schouders genomen en we zijn het kamp uit gelopen. Een Canadese soldaat gaf me een reep chocolade. Ik heb de reep angstvallig vastgehouden en in zijn geheel mee naar huis genomen. Ik had namelijk van mijn moeder eens een keer op mijn donder gekregen omdat ik eens een stuk gegeten had van een reep die eigenlijk voor het hele gezin bestemd was.

Na de bevrijding zijn we naar Amsterdam gegaan. Pas toen ik daar terecht kwam ontdekte ik dat Westerbork mij in alle opzichten klein had gehouden. Ik wist niks van de wereld. Mijn kampervaringen hebben mij in mijn latere leven nog behoorlijk dwarsgezeten.’