Doba Schinning-Stein

Het portret van de Poolse Doba Schinning-Stein werd geschreven door Willem Haandrikman. Het portret is tot stand gekomen met hulp van Adam Szczech en diens ‘The History of Jews in the Ryglice Municipality’, en Amy Horowitz en Leo Schinning.

Doba Schinning-Stein.

Doba Schinning-Stein

Doba Debora Stein werd op 28 mei 1906 in het Poolse stadje Ryglice geboren. Ze was de oudste in een gezin van zes kinderen. Haar vader Jakub Stein (in het Pools Jakow Sztejn), geboren in 1882, was handelaar. Hij kocht stoffen in Lemberg (Lwow, Oekraïne), dat lange tijd als een ‘Pools eiland’ in een verder Russisch-orthodoxe rurale omgeving gold. Hij deed dit met paard en wagen en was daarvoor vele dagen onderweg. In de winter deed Jakub boswerk met zijn paarden. Daarnaast was hij prior.

Doba’s moeder Sara Berglas werd geboren in 1888. Zij deed het huishouden en maakte kleding. Ook moeder vond het levenslicht in Ryglice, een stadje in het zuid-oosten van Polen, niet ver van de stad Tarnow. Na Doba kwamen nog Hersch (1907), Henia (1912), Menashe (1913), Rivka (1915) en Baruch (1915) ter wereld.

Doba genoot acht jaar lang lager onderwijs op de katholieke school van Ryglice, waar ook de andere Joodse kinderen uit het dorp les kregen. Daar leerde ze Duits spreken en schrijven. Specifieke Joodse lessen kreeg ze buiten de normale uren. Thuis werd er iedere dag uit de Talmoed voorgelezen. Na de lagere school volgde Doba een opleiding om naaister te worden. Ze bleef tot haar vierentwintigste thuis wonen.

In 1937 vertrok Doba’s broer Hersch naar Nederland waar hij in Den Haag begon te werken als broodbezorger. Hij woonde in een huis aan de Ternootsstraat 79. Door de slechte economische situatie en de pogroms die al geregeld voorkwamen in Manopolska (Klein Polen, waar Ryglice onderdeel van uitmaakte), en vermoedelijk door Hersch aangemoedigd, vertrok ook Doba in 1938 naar Nederland. Hoofdreden was echter dat ze uitgehuwelijkt zou worden aan een niet-Joodse en veel oudere politieman.

Bij de Nederlandse grens werd Doba als vluchteling tegengehouden. Ze moest doorreizen naar België en vond onderdak in Antwerpen, waarschijnlijk bij een ver familielid. Pas na een half jaar kreeg Doba een visum voor Nederland waar ze vervolgens met Hersch herenigd werd. Doba ging aan de slag als huishoudster bij de familie Pelman te Scheveningen. Kort daarna werd ze gezelschapsdame bij mevrouw Lewenstein te Den Haag. Op dit laatste adres bleef ze zes maanden. Toen werd ze ziek en trok ze bij Hersch in, waar ze uiteindelijk een jaar zou blijven.

Omdat ze Joods was moest Doba zich na de Duitse inval melden bij de bezetter. Het werd haar te kennen gegeven dat ze uit het Nederlandse kustgebied moest vertrekken: het was voor Joden verboden om vlak aan de kust te wonen. Hersch zorgde ervoor dat Doba naar Arnhem kon. Hier verbleef ze tot december 1941 bij de familie Boerema aan de Breitnerstraat 90. Als de familie Boerema afwezig was – ze gingen nogal eens naar Den Haag – kreeg Doba onderdak bij dr. Weisberg, aan de Lawick van Pabststraat 14.

In Arnhem moest Doba zich elke week bij de politie melden. Via de Joodse Raad wist ze een baantje te krijgen als naaister. Het was in deze tijd dat Doba haar latere echtgenoot Gerardus (Gerrit) Schinning, geboren te Arnhem op 30 september 1919, ontmoette. Hij regelde dat ze bij haar broer aan de Boschstraat 8 in kon trekken. Gerrit en Doba trouwden op 11 maart 1942. Om permissie te krijgen voor een Joods huwelijk ging ze naar Villa Angerenstein, gelegen aan de weg naar Velp. Gerrit werd in juni 1942 opgeroepen voor de Arbeidseinsatz en moest naar Osnabrück in Duitsland. In dezelfde maand werd hun eerste zoon Leopold geboren.

Uit de woorden van haar zoon Leopold (Leo) wordt duidelijk dat het kampverleden, de algehele angst en het verdriet van wat er met Hersch en met haar familie in Ryglice was gebeurd, Doba in haar verdere leven parten heeft gespeeld.

Gerrit werd eerst in een fabriek tewerkgesteld en heeft zich later als bakker voorgedaan. Hij heeft op verschillende plaatsen gewerkt. Er bleef lijfelijk contact tussen hem en zijn gezin in Arnhem. Zo eens in de 3 á 4 maanden troffen ze elkaar. De laatste keer was tijdens de kerst van 1943. Hierna volgden nog een aantal brieven, waarvan de laatste dateerde van 16 september 1944. Gerrit is uiteindelijk redelijk goed de oorlog doorgekomen. In juni 1945 werden Doba en hij herenigd.

In 1942 werd Hersch bij een razzia opgepakt en naar de Scheveningse gevangenis gebracht. Via kamp Amersfoort werd hij gedeporteerd naar Mauthausen. Daar is hij kort na aankomst vermoord.

Ook veel andere familieleden van Doba overleefden de oorlog niet. Dit geldt in feite voor vrijwel alle Joden uit Ryglice. De Joodse geschiedenis van het stadje is er vanaf het einde van de jaren dertig één van een enorme treurigheid. In 1939 telde Ryglice 3017 inwoners, waarvan 412 Joden. Na de Duitse inval in 1939 stak de uit Duitsers bestaande politie van Ryglice de synagoge in brand en vernielde andere vereringsplekken van de Joodse inwoners. Ze moesten hun winkels kenbaar maken middels een speciale vlag en ook moesten de Joodse bewoners een ster gaan dragen. Veel Joden die een winkel hadden rond de markt vluchtten al spoedig naar de buitenwijk van het stadje. Tussen september 1939 en juli 1942 werden ongeveer dertig Joden zonder enige reden vermoord en ter plekke begraven. Op woensdag 22 juli 1942 werden alle nog aanwezige Joden van Ryglice in een grote razzia bij elkaar gedreven en naar het getto van Tuchov gebracht. Kort erop volgde deportatie naar het vernietigingskamp Belzec. Van de 395 mannen en vrouwen, oud en jong, overleefden slechts drie de verschrikkingen. Daarmee was het district Tarnow de eerste waar de Shoah zo grootschalig werd uitgevoerd. Ook de rest van het gezin waaruit Hersch en Doba voortkwamen, wist de oorlog uiteindelijk niet te overleven.

Door haar huwelijk met een niet-Joodse Nederlander werd Doba in eerste instantie vrijgesteld van deportatie naar Westerbork. Ze kreeg onderdak bij de broers en zusters en ouders van haar man. Ze liet zich uiteraard zo weinig mogelijk buiten op straat zien, want ze moest wel de Jodenster dragen. Dit gaf natuurlijk de nodige spanning, temeer de man van één van de zussen van Gerrit Schinning sympathiseerde met de NSB.

In september 1944 begon de geallieerde opmars vanuit het zuiden, dat vastliep in de slag bij Arnhem. Om aan een bloedbad te ontkomen werden alle bewoners van Arnhem te verstaan gegeven de stad onmiddelijk te verlaten. Door deze evacuatie kwam Doba met Leopold, inmiddels 2 jaar, en haar schoonouders op 17 september bij een verre familielid die aan de Hertog Arnoldstraat 18 woonde, terecht. Ofschoon, of misschien ook wel doordat ze geen Jodenster droeg, werd Doba verraden en op 15 januari door de Nederlandse SS’er Koelman uit Breda gearresteerd. Haar schoonvader kon net op tijd met Leopold via de achterdeur ontkomen. Opa en oma kwamen met kleinzoon via Barneveld in Heerde terecht, waar ze in het bakhuis van de familie Draaier de oorlog uitzaten.

Doba werd naar de SD in Velp gebracht en aldaar door de SD’er Fischer, hoofd van de afdeling, bijgestaan door twee assistenten verhoord. Als reden waarom ze geen Jodenster droeg, gaf Doba aan dat ze door de evacuatie niet meer in staat was geweest de ster van haar andere jurk te halen en over te zetten. Ze verbleef tien dagen in de gevangenis van de SD in Velp, waar ze samen met andere vrouwen schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten. Daarna werd ze afgevoerd naar kamp Westerbork.

In Westerbork kwam Doba terecht in de strafbarak, destijds barak 22. Deze strafbarak was het domein van SS-Oberscharführer Van Eck, een Nederlander uit Den Haag. Doba moest in het kamp werken in de batterijensloperij.

Op 7 juni 1945, bijna twee maanden na de bevrijding, werd Doba door de Canadese Veiligheidsdienst verhoord op verdenking van mogelijke collaboratie met de NSB of de nazi’s. Hierbij werd gesteld dat aangenomen mocht worden dat zij onschuldig was en dat haar echtgenoot geen SD’ers was geweest en dus geen strafbare feiten had verricht. De letterlijke aanbeveling van de dienst luidde: ‘Doba Schinning Stein is niet interessant voor de Civil Interrogation Service en adviseert onvoorwaardelijke vrijlating’. Getekend sergeant Koenders, 13 juni 1945.

Na vrijlating werd Doba herenigd met haar gezin. Dat ging echter niet zonder slag of stoot. Uit de woorden van haar zoon Leopold (Leo) wordt duidelijk dat het kampverleden, de algehele angst en het verdriet van wat er met Hersch en met haar familie in Ryglice was gebeurd, Doba in haar verdere leven parten heeft gespeeld. Ze leed aan zware migraine en functioneerde slecht. Ze vertelde weinig over de gebeurtenissen in de oorlog. ‘Ik kon daar vaak moeilijk mee omgaan’ zegt Leo. ‘Joods-zijn betekende vervolging en de dood. Dus kon je maar beter zwijgen was de les die ik daar uit trok. Erover praten met mijn moeder kon ik niet, ook al omdat ik me aanvankelijk het Joodse leven in Polen niet kon voorstellen. Het verlies van mijn Joodse familie heeft me heel mijn leven verdriet gedaan. Mijn vrouw heeft daar veel begrip voor gehad en mij ondersteund bij de verwerking.’

In 2014 kwam Leo in contact met een nicht die in Canada woonde, genaamd Amy Horowitz. ‘Daarvoor had ik geen idee of er nog overlevenden van de familie Stein waren.’ Leo heeft Ryglice bezocht en de plaatsen waar zijn grootouders en overgrootouders woonden. In 1946 kreeg het gezin Stein nog een dochter. Kort na de oorlog heeft de familie op verschillende adressen in Arnhem gewoond, onder andere aan de Bosstraat en de Valkstraat, om tenslotte neer te strijken aan de St. Laurentiuslaan 30. Daar hebben Doba en Gerrit de rest van hun leven gewoond.

Doba Debora Schinning Stein is gestorven in 1984. Haar man Gerardus (Gerrit) Schinning overleed 1994.