Dolf Kool

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden in het Drentse dorp Nieuwlande tussen de tachtig en vierhonderd onderduikers voor korte of langere tijd een veilig heenkomen. Dolf Kool (1921) was één van hen.

Dolf Kool in Nieuwlande, tweede van rechts.

Dolf Kool

In 1946 begon de in Groningen woonachtige Joodse Maurits de Levie met een nooit afgemaakte film over een inval van de SS in het huis van dominee Van den Bos in het Drentse dorpje Nieuwlande in 1944. Advocaat de Levie was een verwoed amateurfilmer die al voor de oorlog verschillende films had gemaakt. Zo stond hij met zijn 16mm camera vooraan bij het huwelijk van prinses Juliana en Bernhard von Lippe Bisterfeld  en maakte hij verschillende promotiefilms voor het Apeldoornsche Bosch, een Joods psychiatrische inrichting, van 1909 tot 1943 gevestigd in Apeldoorn.

Met de film over Nieuwlande greep Maurits de Levie terug op zijn eigen herinneringen. Tijdens de oorlogsjaren zat De Levie enige tijd verborgen bij de tweehonderd inwoners van het Drentse dorp. Hij was er niet de enige onderduiker. Tussen de 80 en 400 Joden wisten door onder te duiken in Nieuwlande uiteindelijk de oorlog te overleven.

Enkele honderden meters van de Groningse advocaat zat in 1943 bijvoorbeeld Dolf Kool verborgen. Als medewerker van de Joodse Raad in Amsterdam was Kool lange tijd gevrijwaard van transport naar Westerbork. Nadat zijn Sperre in juli 1943 verviel, ging hij op zoek naar een onderduikplek. Na een turbulente reis langs verscheidene adressen, kwam Kool in januari 1944 terecht in het huis van Fennigje Seinen in Nieuwlande, waar op het moment van zijn aankomst minstens vier andere Joden verborgen waren.

Na twee weken in de gevangenis van Assen, werd Kool op 16 januari 1945 naar kamp Westerbork overgebracht waar hij in de nieuwe strafbarak terechtkwam. Het zou vervolgens nog maanden duren voordat Dolf Kool deze barak 21 – en daarmee kamp Westerbork – mocht verlaten.

Fennigje Seinen ontfermde zich over Dolf en gaf hem gedurende zes maanden een veilig heenkomen tot de nazi’s in augustus 1944 een bericht ontvingen dat er mogelijk onderduikers in het huis van de familie zaten. Eén van Fennigjes zoons werd voor verhoor meegenomen en naar kamp Amersfoort weggevoerd. Fennigje, beseffend dat de situatie nog verder uit de hand kon lopen, vertelde aan Dolf dat het te gevaarlijk was om te blijven. Het centrale verzet in Nieuwlande, waar onder andere de bekende Johannes Post toe behoorde, werd gecontacteerd en een onbekend gebleven verzetsman bracht Dolf naar zijn nieuwe onderduikadres, bij het gezin van Roelof de Jonge in het nabij gelegen dorpje Nieuwe Krim.
Ondanks alle voorzorgsmaatregelen werd Dolf hier op oudjaarsdag 1944 alsnog opgepakt.

Na twee weken in de gevangenis van Assen, werd Kool op 16 januari 1945 naar kamp Westerbork gebracht waar hij in de strafbarak terechtkwam. Het zou vervolgens nog maanden duren voordat Dolf Kool deze barak 21 – en daarmee kamp Westerbork – mocht verlaten.