Ed van Thijn

In 2015 schreef Martine Letterie in opdracht van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork het jeugdboek “Eenzaam in de oorlog”. Het is het verhaal van Ed van Thijn, de latere burgemeester van Amsterdam en Minister van Binnenlandse Zaken, die tijdens de oorlogsjaren twee keer in kamp Westerbork terechtkomt en in de tussenliggende periode ondergedoken zit.

Ed van Thijn.

Ed van Thijn

‘Met grommende motoren rijden vrachtauto’s de straat in. Het dreigende geluid vult zijn kamertje en Eddy voelt de trillingen van de zware wagens in zijn bed. Het lijkt alsof de monsters regelrecht naar binnen rijden. Droomt hij dit? Is het een nachtmerrie? Piepende remmen, marcherende zware laarzen, het lawaai is nu overal. Hij draait zich om onder zijn bezwete lakens. Met zijn handen tegen zijn oren probeert hij zichzelf tegen de herrie te beschermen, maar het wordt harder en harder.
Buiten schreeuwen Duitsers: ‘Juden raus, schnell, schnell!’ Honden blaffen, vrouwen gillen en jammeren, kinderen huilen. Steeds meer mensen draven door de straat.
Droom en werkelijkheid lopen door elkaar sinds hij ziek in bed ligt. ‘Zware longontsteking,’ heeft de dokter gezegd. De koorts verandert zijn angst voor de Duitsers in nachtmerries. Dat moet het zijn.

Direct daarna klinken gestommel en paniekerige stemmen, recht boven zijn hoofd. Aan alles hoort Eddy hoe bang de bovenburen zijn. Onverbiddelijk denderen laarzen de trap op. Zijn hart is een wedloop tegen de angst begonnen, het bonst sneller en sneller. Was hij maar niet zo ziek…

‘Mam!’
Hij wil roepen, maar hij is niet meer de baas over zijn eigen stem. Eddy kan zichzelf nauwelijks horen, laat staan dat zijn moeder dat kan. Elke ademhaling schuurt in zijn borstkas. Hij probeert zijn ogen te openen om de nare droom te laten ophouden, maar de koorts maakt zijn oogleden loodzwaar.
Vlakbij wordt hard en lang aangebeld, tegelijkertijd trapt een laars tegen de deur.
‘Alle Juden raus!’
Direct daarna klinken gestommel en paniekerige stemmen, recht boven zijn hoofd. Aan alles hoort Eddy hoe bang de bovenburen zijn. Onverbiddelijk denderen laarzen de trap op. Zijn hart is een wedloop tegen de angst begonnen, het bonst sneller en sneller. Was hij maar niet zo ziek…
‘Wat moeten we doen, Koos?’ Het is zijn moeder. Ze staat in de gang vlak voor zijn kamerdeur en ze jammert zacht. Haar stem dringt op een andere manier tot hem door dan het lawaai, en dat maakt dat hij het ineens zeker weet. Wat er gebeurt is geen nachtmerrie. Hij zoekt naar het luciferdoosje onder zijn kussen en vouwt zijn hand eromheen. Het kwaad is hier, laat het goede overwinnen. Alsjeblieft.

Eddy op één van zijn onderduikadressen.

In het voorjaar van 1943 worden Eddy van Thijn en zijn moeder in een razzia van huis gehaald. Ze komen in kamp Westerbork terecht en na drie maanden gaan ze op de trein, niet naar Auschwitz maar terug naar Amsterdam. Al vrij snel wordt Eddy van zijn ouders gescheiden, zonder dat hij afscheid kan nemen. Ruim anderhalf jaar lang ziet hij hen niet meer en verhuist hij van het ene onderduikadres naar het andere. Nooit hoort hij ergens bij, altijd vormt hij een gevaar voor anderen en doordat hij steeds moet hoesten, ook voor zichzelf. Zijn grootste angst is, dat hij terug naar Westerbork moet…

Het lukt hem niet om uit handen van de Duitsers te blijven en op 12 april maakt hij de bevrijding van kamp Westerbork mee.’