Elfriede Kahn

De geschiedenis van Elfriede Kahn (1907) is onherroepelijk verbonden met die van Betti Asch-Rothenthal én kampcommandant Albert Konrad Gemmeker. In de lente van 1943 is Gemmeker op zoek naar een extra huishoudelijke hulp die mevrouw Asch-Rosenthal kan ondersteunen bij haar werkzaamheden.

De commandantswoning van kamp Westerbork.

Elfriede Kahn

‘Gemmeker vroeg of ik iemand kende die goed kon typen. “Dan mag u die naar de Komman­dantur sturen, want ik heb iemand nodig om te typen’’, zo zei hij tegen mij. Toen ik ’s avonds in het kamp rondliep kwam ik Elfriede tegen, haar kende ik nog uit Amsterdam. Ze was op zoek naar een baantje want haar Sperre stond op springen. Ik zei tegen haar: “Elfriede dat is misschien wat voor jou”. De volgende dag is ze naar het kantoor van de commandant gegaan. Ze moest een test afleggen maar het lukte haar niet om snel genoeg te typen. Ik kan me dat wel voorstellen, als ik voor Gemmeker moest typen dan zouden mijn vingers ook gaan trillen. Gelukkig kon ik Elfriede alsnog een baantje bezorgen in het huis. Gemmeker constateerde dat ik het allemaal niet meer alleen aankon en vond dat ik hulp nodig had.

We moesten van alles doen in het huis. De kamers schoonmaken maar ook koken en de lunch bereidden. Meestal voor de commandant alleen, of voor hem en Frau Hassel, zijn secretaresse en minnares. We begonnen vaak al erg vroeg. In dat opzicht was Gemmeker een vreemde snuiter, je wist nooit hoe laat hij uit zijn bed zou komen. Hij werkte soms ’s nachts door, en sliep daarna de halve dag. Een andere keer kwam je het huis binnen en zat hij al te wachtten aan de ontbijttafel. Het zorgde voor spannende momenten, ook met Elfriede. Zij was namelijk soms ook een rare, die oorlog en zo, dat maakt mensen vreemd. Op een dag toen we aan het schoonmaken waren had ze op de grond een van klei gebakken hondendrol gelegd, om mij te laten schrikken. Op dat zelfde moment kwam er vanachter de deur opeens een man tevoorschijn. Wij schrokken ons dood, dachten in eerste instantie dat de commandant was. Het bleek gelukkig de meubelmaker van het kamp te zijn.

‘Ik heb wel zin in een glas champagne, hebben jullie dat?’ We zijn vervolgens de kelder ingedoken en hebben niet één glas, maar een hele fles leeggedronken.

De commandant had in het huis ook een grote drankkelder. Hij bewaarde er zelfs flessen champagne in! Op een dag, aan het einde van de oorlog zei een mannelijke collega van ons: “Ik heb wel zin in een glas champagne, hebben jullie dat?” We zijn vervolgens de kelder ingedoken en hebben niet één glas, maar een hele fles leeggedronken. Elfriede kon de trap haast niet meer omhoog komen en ook ik was niet helemaal meer helder. Elfriede moest toen nog een broek van Gemmeker naar de wasserij brengen. Ze was zo dronken, maar ze kon niet anders… toen ze terug kwam vroeg ze zich af of men had gemerkt dat ze drank had genomen. Nou zei ik, “ik in ieder geval wel!”

Op 11 april 1945 is Gemmeker vertrokken. Toen hij wegging heb ik hem eerlijk verteld dat hij nog geld terug kreeg van de eieren die we voor hem hadden gekocht. Toen zei hij: “Mevrouw Asch, houdt u toch het geld, deelt u dat tussen u drieën, Elfriede, uw man en u”. Dat hebben we gedaan. Een dag later al kwamen de Canadezen. Elfriede is na de oorlog weer in Amsterdam gaan wonen. Ze is eind juni uit het kamp vertrokken. Tot haar dood heb ik nog regelmatig contact met haar gehad.’