Elisabeth Wolf

Dr. Ad van der Logt schreef een bijzonder portret over Elisabeth Wolf. Elisabeth wist als medewerker van de registratie tot de bevrijding van kamp Westerbork van transport gevrijwaard te blijven. Na de oorlog trouwde ze met medekampgevangene Heinz Meyerfeld.

Aan het werk bij de registratie, 1944.

Elisabeth Wolf

Een vrijdagochtend in februari 1944
In de ochtend van 25 februari 1944 haastten meer dan 800 Joodse gevangenen zich naar de klaarstaande derde klasse-trein. ’s Nachts waren de namen bekend gemaakt van de mensen die zich gereed moesten maken voor transport XXIV/4. Het gerucht ging dat wie niet gesperrt was en dit transport naar Theresienstadt aan zich voorbij liet gaan de volgende keer onherroepelijk naar Auschwitz moest vertrekken. De zon liet zich die dag niet zien en het voelde of het licht vroor, maar gelukkig viel er geen neerslag. De familie Belinfante uit Katwijk stond op het perron te wachten; ze maakte deel uit van de groep van 308 Sefardische Portugese joden van de beschermende ‘Lijst-Calmeyer’, hun Midden- en Zuid-Amerikaanse paspoorten waren vandaag van nul en generlei waarde verklaard. Ongeveer 130 mensen uit de barak van Philip Mechanicus, met In Depôt de chroniqueur van Westerbork, stonden eveneens op de trein te wachten. Ook Henri Kwieser uit Amsterdam en Ernst Rosenbaum uit Witten (Duitsland), Joodsche Raadfunctionarissen in kamp Westerbork, gingen mee net als de Amsterdamse kruidenier Salomon Cardozo van het Merwedeplein 53, die Anne Frank al een tijdje niet meer had gezien. En de tot het katholicisme bekeerde Joodse zuster Judith Mendes Da Costa van de orde der Dominicanessen, werkzaam in het sanatorium Berg en Bosch te Bilthoven. En de Duits-Joodse acteur en filmregisseur Kurt Gerron, die in Theresienstadt zijn laatste film zou maken. En ook de zeventigjarige Abraham Wolf en zijn vrouw Lina Nathan uit de Alteveerstraat 47 in Assen, de ouders van Elisabeth Wolf. In totaal 811 personen: 761 Normaltransport en 50 zieken. Slechts 94 Joodse mensen van dit transport zouden na de oorlog terugkeren. In Westerbork bleven 4230 joden achter.

Elisabeth Wolf werd op 10 augustus 1912 in Frankfurt am Main geboren. Haar vader Abraham, ook wel Albert genaamd, was op 13 maart 1873 in Wawern (Rijnland-Palts) geboren, haar moeder Lina Nathan, eveneens geboren in 1873 op 27 augustus, was afkomstig uit Bingen am Rhein, een klein plaatsje ten westen van Wiesbaden. Zij trouwden op 13 december 1899 in Gau Algersheim en Elisabeth was hun enige kind. Over haar jeugd is weinig bekend, pas in 1939 duiken de namen van Elisabeth en haar ouders in de archieven op als bootvluchtelingen op de St. Louis.

Het drama met de St. Louis
Na de Kristallnacht (9-10 november 1938) en de daarop volgende terreur was het voor de familie Wolf duidelijk dat ze in nazi-Duitsland geen toekomst meer hadden. Joden werden opgepakt en in de kampen Dachau en Buchenwald gevangen gezet. Ze werden pas vrijgelaten als ze beloofden op korte termijn naar het buitenland te vertrekken. Of dit met de familie Wolf ook is gebeurd, is niet meer te achterhalen. Maar in een tijdspanne van een half jaar hadden ze voldoende geld – tussen de 830 en 1030 rijksmark per persoon voor de heen- en terugreis – bij elkaar gebracht om bij de Hamburgse rederij Hapag een reis te boeken naar Cuba. Voor de tijdelijke visa moesten ze nog eens $ 150,- betalen. Zij hoopten daar geldige visa voor de Verenigde Staten te krijgen.

Op 13 mei 1939 om 20.00 uur voeren ze aan boord van het passagiersschip de St Louis (kapitein Gustav Schröder) samen met 934 andere passagiers de haven van Hamburg uit. Twee weken later bereikte het schip de haven van Havanna. Maar de passagiers mochten niet aan land; voor 30 van hen, voornamelijk Cubanen en Spanjaarden, werd een uitzondering gemaakt. Zonder dat de kapitein en de opvarenden het wisten had de Cubaanse president Frederico Laredo Bru op 5 mei 1939 een decreet uitgevaardigd, waarbij de emigratie te niet werd gedaan. De corrupte Cubaanse overheid liet in verband met de weinige banen de Joodse vluchtelingen niet toe. Mogelijk had het hoofd van de immigratiedienst Benitez Gonzales vergeten president Bru een aandeel van de dubieus verkregen winst met de visa aan te bieden. Op 2 juni moest het schip de Cubaanse wateren verlaten.

Omdat de meeste passagiers toch al van plan waren naar de VS te emigreren, besloot Schröder naar Miami te varen. Binnen de Amerikaanse territoriale wateren dwong de US Coast Guard het schip tot stoppen. De VS hanteerden echter een aantal argumenten waardoor immigratie onmogelijk toegestaan kon worden. De Joden werden niet als vluchtelingen erkend, maar als immigranten beschouwd. Ze moesten aantonen dat ze over genoeg geld beschikten om zelfstandig een bestaan op te bouwen. Bovendien was het vluchtelingenquotum voor dat jaar was al bereikt. Tenslotte was Franklin D. Roosevelt bang dat het toelaten van zoveel Joodse vluchtelingen wegens de grote werkloosheid en een steeds groeiende nazipartij zijn herverkiezing in gevaar kon brengen.

Ook andere landen in de regio als Canada, Venezuela, Colombia, Paraguay en Argentinië weigerden de opvarenden op te nemen. Daarop keerde de St. Louis op 6 juni terug naar Europa. Vlak voor het bereiken van de haven van Antwerpen op 17 juni 1939 kwam het onder dreiging van de zelfmoord van tientallen Joodse passagiers tot een oplossing. Het Verenigd Koninkrijk nam 287 vluchtelingen op, Frankrijk 224, België 214 en Nederland 181. Tijdens de oorlog zouden 254 Joodse passagiers in een concentratiekamp sterven.

De grafsteen van de ouders van Elisabeth.

De familie Wolf en de andere 178 voor Nederland bestemde vluchtelingen werden overgeladen op de stoomboot Jan van Arkel en naar Rotterdam gebracht. Daar werden ze verder getransporteerd naar het vlak bij Rotterdam gelegen vluchtelingenkamp Beneden Heijplaat, dat omheind was met prikkeldraad en waar bewakers met honden patrouilleerden. Van hieruit volgde overplaatsing naar hotel New York van de Holland Amerika Lijn (H.A.L), het quarantainestation Zeeburg of het Lloyd hotel in Amsterdam.

De geschiedenis met de St. Louis vormde de inspiratie voor Schipper naast God van auteur Jan den Hartog en de film Voyage of the Damned van regisseur Stuart Rosenberg.

Gescheiden wegen
Elisabeth kwam op 3 of 6 maart 1940 in Westerbork aan en vond een onderkomen in achtereenvolgens de barakken 12 en 42E. Haar ouders bleken volgens de gegevens van de gemeente Assen tot hun transport naar Westerbork woonachtig te zijn geweest in de Lonerstraat 33 en de Alteveerstraat 47. In zijn ongepubliceerde tekst Een ‘etnische zuivering’ in de Alteveerstraat in Assen uit 1999 schreef Ben van Kaam: ‘In de Alteveerstraat in Assen, [….], kwamen omstreeks 1936 in een dubbele nieuwbouwwoning twee Duitse gezinnen te wonen. [….]. Met de Duitsers op nummer 45 en 47 was iets vreemds aan de hand. Het waren onopvallende mensen, die weinig contact hadden met de buurtgenoten. Het waren vluchtelingen, begreep ik later, maar ik herinner me niet dat woord toen te hebben gehoord.’

De bewoners over wie Van Kaam berichtte waren de families Ochs-Hanau (nr. 47) en Hecht-Hanau (nr. 45). En F. J. Hulst en H. M. Luning voegden daar in hun De Joodse gemeente Assen. Geschiedenis van een behoorlijke kille, 1740-1976 aan toe:

‘Deze vluchtelingen hadden veel in Duitsland achtergelaten, maar geheel berooid waren ze niet. Sommigen kochten in Assen een huis, anderen waren ergens in de kost en allemaal hadden ze een handeltje. De koopman Abraham Wolf en zijn vrouw Lina waren net als de familie Heijmann ingetrokken bij het echtpaar Waldemar en Paula Ochs-Hanau. Omdat Abraham Wolf begin juli 1942 al 69 jaar was, werd hij niet afgevoerd naar een van de werkkampen in het noorden van Nederland zoals gebeurde met andere joodse inwoners van Assen in de leeftijd van 18 en 55 jaar. Hij werd daarom met zijn vrouw begin november 1942 naar Westerbork zijn gebracht.’

Elisabeths vader bezweek op 11 januari 1945 in Theresienstadt, zijn vrouw overleefde Theresienstadt en overleed op 92-jarige leeftijd op 21 maart 1966 in Amsterdam. Op dezelfde dag verschenen rouwadvertenties in het Algemeen Handelsblad en het Parool, op 25 maart in het Nieuw Israëlisch Weekblad. Op de begraafplaats Gan HaSjalom (Tuin van de Vrede) in Hoofddorp staat een grafsteen waarop beiden herdacht worden.

We kunnen ons onmogelijk voorstellen met welke dilemma’s Liesl en de andere medewerksters van de administratie- en registratieafdeling geconfronteerd werden. Welke letter zou ze toegewezen hebben gekregen? De W of een andere? En wat voor verschil zou dat gemaakt hebben? Een onmogelijke opgave!

Waarom Elisabeth, die ook wel Liesl werd genoemd, niet in Assen bij haar ouders introk, maar vrijwel meteen naar Westerbork werd getransporteerd, is niet terug te vinden. Toen zij in Westerbork arriveerde was het vluchtelingenkamp uitgebreid van 167 geïnterneerden eind januari tot 749 vluchtelingen eind april 1940. Het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork was nog niet zo georganiseerd zoals het latere doorgangskamp. Jacob Boas gaf in zijn Boulevard des Misères. Het verhaal van doorgangskamp Westerbork een beeldende beschrijving.

‘De hoofdweg van het kamp zag er primitief en onmetelijk uit, slechts enkele mensen worstelden te voet of op de fiets tegen de wind in die vanuit het veen kwam aanwaaien. Af en toe was er sprake van gemotoriseerd verkeer (een sleperswagen of een auto) op de hobbelige wegen. De eerste bewoners voelden zich door de wereld in de steek gelaten en zelfs verworpen door hun eigen Nederlandse geloofsgenoten wegens het gebrek aan hulp vanuit het in 1933 opgerichte Joods vluchtelingencomité.’

We kunnen ons voorstellen dat dit laatste ook voor Elisabeth gegolden heeft na haar vlucht uit nazi-Duitsland, de reis met de St. Louis en de ‘ontvangst’ in het neutrale Nederland.

Het vluchtelingenkamp met inbegrip van zijn civiel-directeur D.A. Syswerda was begin oktober 1939 zo ver voltooid dat het de Duitse en Oostenrijkse Joodse vluchtelingen kon opnemen. Op 16 juni 1940 nam het Ministerie van Justitie de verantwoordelijkheid voor het kamp over van Binnenlandse Zaken. Syswerda moest plaats maken voor reservekapitein Jacob Schol, de voormalige directeur van het vluchtelingenkamp in Hoek van Holland. Het kamp werd op militaire leest georganiseerd: elke barak kreeg een barakleider, marechaussees namen de plaats in van rijksveldwachters en de bewoners werden verdeeld in twaalf dienstgroepen, waarvan de Lagerkommandantur (Dienstleiter Heinz Todtman), de administratie en registratie (Dienstleiter Rudolf Fried) en de Ordedienst en Brandweer (Dienstleiter Arthur Pisk) de belangrijkste waren. Boven hen stond Kurt Schlesinger, die zich bij de opeenvolgende commandanten dr. Erich Deppner en Josef Hugo Dischner een vertrouwenspositie had verworven en door Gemmeker tot Oberdienstleiter was benoemd.

Liesls taak
Vanaf 1942 tot 1945 was Elisabeth Wolf secretaresse op de administratie/registratie van het kamp met Fried als haar leidinggevende. Omdat Liesl als oude kampingezetene al voor 1 juli 1942 in het Westerbork was aangekomen, stond zij op de zogenaamde Stammliste, waardoor ze voorlopig vrijgesteld was van deportatie. Maar zekerheid hieromtrent was voor niemand weggelegd, want als de lijst sprong – platzen in ‘kampjargon’ – was je weer transportfrei. Haar collega Hilde Verdoner-Sluizer werd op 8 februari 1944 op transport gesteld en overleed in Auschwitz 11 februari 1944. Haar brieven naar huis werden in 2011 gepubliceerd onder de titel Levenstekens.

In het jaar 1943 werden op Liesls afdeling 53703 joden geregistreerd. Haar werk bracht met zich mee dat ze nieuwe ingezetenen kamppassen en distributiekaarten verstrekte om eten, kleding en sigaretten te kopen. Daarnaast stelde ze catalogi op voor het woningbureau en leverde lijsten met de namen van de gevangenen aan de Duitse autoriteiten in de Randstad (SD in Den Haag en de Zentralstelle für jüdische Auswanderung (Willy Lages en Ferdinand aus der Fünten) in Amsterdam). Haar afdeling moest de Zentralkartei (de centrale cartotheek) gegevens aanleveren over het precieze aantal inwoners en hun status, zodat op grond hiervan bepaald kon worden wie er in aanmerking kwam voor deportatie naar Oost-Europa. Hoeveel Joden er per transport afgevoerd moesten worden, werd op het hoofdkwartier van de Sicherheitspolizei in Den Haag vastgesteld en aan Gemmeker doorgegeven. Schlesinger stelde in samenspraak met het hoofd van de medische dienst (Dr. Spanier) en de leider van de Antragstelle (Dr. Ottenstein) vast welk ‘transportmateriaal’ voorhanden was en wie er onmisbaar was. Daarna werd Rudolf Fried, zakelijk leider van de Zentralkartei, als één van de eersten geïnformeerd waarna hij de opdracht aan zijn medewerkers/-sters gaf om de indexkaarten van alle ‘transportfreie’ gevangenen te noteren. Op het laatste moment moesten allerlei veranderingen worden doorgevoerd, omdat de dienstleiders de namen van hun vrienden en bekenden door anderen vervingen. Daardoor moesten de typistes van zijn afdeling – en dus ook Elisabeth Wolf – tot vroeg in de ochtend doorwerken om de transportlijsten compleet te maken. Pas daarna kregen de gevangen te horen of ze op de transportlijst stonden en de volgende ochtend naar het oosten zouden afreizen. Abraham Wolf kreeg nummer 762 voor transport XXIV/4 (het 88e transport) naar Theresienstadt, het nummer van zijn vrouw zal wellicht 763 zijn geweest. We kunnen ons onmogelijk voorstellen met welke dilemma’s Liesl en de andere medewerksters van de administratie- en registratieafdeling geconfronteerd werden. Welke letter zou ze toegewezen hebben gekregen? De W of een andere? En wat voor verschil zou dat gemaakt hebben? Een onmogelijke opgave! Of Elisabeth voor dit transport in aanmerking kwam, weten we niet.

Liesl Meyerfeld (l) in de jaren tachtig.

Wat wel bekend is dat Liesl Wolf op aanraden van haar vriend en latere echtgenoot Heinz (Henk) Meyerfeld in het kamp is achtergebleven. Heinz was geboren op 6 mei 1904 in Dortmund, waar hij op 22 december 1929 getrouwd was met Irma Eisenstein. Toen de boekdrukkerij waar hij als schrijfmachinemonteur, bedrijfsleider en procuratiehouder werkte door de nazi’s in 1938 gesloten werd, vluchtte hij op 26 februari naar Nederland. In maart 1942 kwam hij in Westerbork aan. Als Duitstalige Jood kreeg hij de leiding bij de afdelingen voor inkomende en uitgaande transporten. Uit angst dat de cartotheek later vernietigd zou worden, liet hij illegaal doorslagen van de persoonsgegevens maken en begraven. Die werden na de oorlog door het Rode Kruis gebruikt om alle in de Oost-Europese kampen omgekomen Nederlandse Joden te traceren.

De bevrijding
Elisabeth en de andere Joodse kampingezetenen zagen op 11 april 1945 dat de Duitsers het kamp verlieten. Schlesinger vroeg Aad van As, hoofd van het distributiekantoor, de leiding op zich te nemen. Hij was de enige niet-Joodse ambtenaar in het kamp en actief in het verzet. Toen hij de volgende middag een geruststellende toespraak hield, kwam het bericht binnen dat de geallieerden met tanks in aantocht waren. De tanks van het South Saskatchewan Regiment of Canada kwamen vanuit de richting van het Oranjekanaal. Alle ingezetenen stonden te kijken en renden bij het zien van de tanks er naar toe en klommen erop. De Canadezen troffen nog 918 joodse overlevenden in het kamp aan.

Nu Westerbork was bevrijd, betekende dit niet dat iedereen vrij was en het kamp kon of mocht verlaten. Westerbork was frontgebied en stond onder bescherming van het Rode Kruis. De oorlog was nog niet afgelopen en daarom moest het nieuwe militaire gezag de betrouwbaarheid van alle overlevenden eerst onderzoeken. Daarna werd Westerbork een interneringskamp voor oorlogsmisdadigers en kregen de voormalige gevangenen de taak NSB’ers en SS’ers te registreren en bewaken. We weten niet of Elisabeth hieraan ook een bijdrage heeft geleverd. Pas na de zomermaanden was er geen enkele kampingezetene meer aanwezig.

De grafstenen van het echtpaar Meyerfeld-Wolf.

Een nieuw begin
Elisabeth en Heinz, die door zijn naturalisatie in 1951 als Henk Meyerfeld door het leven ging, trouwden op 25 juni 1947 in Amsterdam, nadat Heinz op 12 september 1946 van Irma gescheiden was. Net na de oorlog woonden ze op verschillende adressen in de hoofdstad (Courbetstraat 37hs, 1947 Beethovenstraat 103/2 en Biesboschstraat 19/3). Omdat Henk begin jaren vijftig als procuratiehouder bij de N.V. Plastic Unie in Arnhem ging werken, verhuisden zij naar de Sweerts de Landastraat 69 in de Gelderse hoofdstad. Beiden werden later actief in de Liberaal Joodse Gemeente. Henk als bestuurslid en bij het maandblad Levend Joods Geloof, Liesl maakte deel uit van (het bestuur van) de Vrouwengroep Liberaal Joodse gemeente Amsterdam. Samen met Sonja Boeken, Ted van der Sluis, Alice Schloss en Emmy Asser zorgde zij voor pastorale ondersteuning door bijvoorbeeld ziekenbezoek en bood hulp bij rouwverwerking. Daarnaast bereidden zij de maaltijden bij de Seideravonden, Poerimfeesten en Sabbats.

Elisabeth Wolf overleed op 18 september 1996 in Amsterdam. Ze werd begraven op de begraafplaats Gan HaSjalom (Tuin van de Vrede) in Hoofddorp. Daar rust zij in een graf naast haar op 21 januari 1979 overleden man Henk.