Else Heynemann

Het portret van Else Heynemann (1901) werd geschreven door Sjouke B. Dekker. Else wist dankzij de functie van haar man tot de bevrijding in kamp Westerbork achter te blijven.

De Boulevard des Miseres, waaraan ook barak 44 gelegen was.

Else Heynemann

‘Mama, je mag wel bij me zitten in de tram; maar niet met me praten’, aldus haar dochter over hun eerste jaren in Amsterdam. ‘Ik geneerde me dood voor haar Duitse accent!’

Else Heynemann-Heine reist, na de machtsovername, in 1933 vanuit Dortmund met hun enig kind Liesel (1926) haar man Walter naar Nederland achterna. Op de vlucht voor het naziregime. Ze vestigen zich aan de Noorder Amstellaan 83 (tegenwoordig Churchilllaan)in de Rivierenbuurt van Amsterdam-Zuid.
Rond 1933 komt in deze nieuwbouwwijk een groot deel van de Joodse vluchtelingen uit Duitsland te wonen. Van de nood wordt een deugd gemaakt. De leegstand door de hoge huren in combinatie met de economische crisis maakt dat de nieuwe bewoners zeer welkom zijn.

Het verhuren van kamers van het eigen appartement vormt voor het echtpaar Heynemann-Heine de eerste jaren een noodzakelijke bron van inkomsten. Het is de reden waarom dochter Liesel jarenlang bij haar ouders op de kamer slaapt.
Liesel past zich als zevenjarige snel aan en spreekt al gauw accentloos Nederlands. In 2012 vertelt ze nog dat ze zich ‘dood geneerde’ om het Duitse accent van haar moeder. Soms krijgt ze ruzie met andere kinderen, omdat haar moeder er niet Joods uitziet. ‘Mijn moeder is wèl Joods!’

Else en Walter zijn in die vooroorlogse jaren bevriend met de eveneens uit Duitsland gevluchte buurtgenoten Edith en Otto Frank, de ouders van Anne en Margot Frank. Ze komen volgens Liesel regelmatig bij elkaar over de vloer voor een partijtje bridge.

De moeder van Else, in Duitsland gebleven, komt in die jaren te overlijden, reden om de vader naar Nederland te laten komen. In de oorlog is hij via Westerbork naar Theresiënstadt vervoerd, een kamp dat hij heeft overleefd. Uiteindelijk is hij op hoge leeftijd in Nederland overleden.

Echtgenoot Walter heeft waarschijnlijk bij het bedrijf van zijn schoonvader, de firma Heine te Dortmund, kennis gemaakt met de exportbranche; een activiteit waarmee hij de eerste jaren in Nederland doorgaat: de in- en export van goederen. Na verloop van tijd zet hij vanuit huis een bedrijfje in cosmetische producten op poten: ‘Pento Cosmetic’. Else verzorgt daarvan de boekhouding.

Tijdens de Duitse bezetting werkt Walter bij de Joodse Raad in Amsterdam en Westerbork. Hierdoor is hij er in geslaagd zichzelf en zijn gezin buiten de transporten naar werk- en vernietigingskampen te houden. Door zijn functie bij de Joodse Raad kan Walter regelmatig tussen Amsterdam en kamp Westerbork op en neer pendelen, waar hij sinds de zomer van 1942 werkzaam is.
Een jaar later, worden Else en dochter Liesel opgepakt en komen in het verzamelpunt de Hollandse Schouwburg terecht. Dankzij een door Walter georganiseerd briefje kunnen ze dezelfde avond weer naar huis.

Een jaar later, worden Else en dochter Liesel opgepakt en komen in het verzamelpunt de Hollandse Schouwburg terecht. Dankzij een door Walter georganiseerd briefje kunnen ze dezelfde avond weer naar huis.

Een paar weken later worden ze opnieuw opgepakt. Via de Hollandsche Schouwburg komen ze op 29 september 1943 in Judendurchgangslager Westerbork terecht. Het is hetzelfde transport waarmee de leiding van de Joodse Raad, Asscher en Cohen, van Amsterdam naar het kamp wordt vervoerd.

Volgens Liesel heeft haar moeder bij het gedwongen vertrek uit hun huis met opzet niet de huissleutels afgegeven, maar andere sleutels. Dit biedt Walter de mogelijkheid van tijd tot tijd in het huis te verblijven wanneer hij voor zijn werk in Amsterdam moet zijn.

Else en haar dochter hebben volgens de aantekeningen op de roze Duitstalige persoonskaarten van LAGER WESTERBORK eerst in barak 41 (woningen en zaal voor meisjes), gewoond. Daarna hebben ze als gezin nog gewoond in barak 44 (kantoor barakleiding en Lawa) en in barak 15D (woningen en zaal voor mannen en kantoor Joodse Raad).
De Heynemanns maken er deel uit van de bovenlaag van Duitse Joden die in het dagelijks leven van het kamp de dienst uit maakt. Het gezin heeft in de verschillende barakken, voor kampbegrippen luxueus, de beschikking over een zogenaamd klein huisje, een eigen tweekamerwoning.

De bevrijding van het kamp op 12 april 1945 door de Canadezen maakt Else samen met Liesel mee. Walter is op dat moment op dienstreis in Amsterdam. Gedurende de periode dat Else in Westerbork geïnterneerd is, wordt achterop haar persoonskaart bijgehouden wanneer echtgenoot Walter het kamp heeft verlaten, en wanneer hij terug verwacht wordt (soms met de aantekening ‘…unbestimmte Zeit’). De laatste aantekening op de kaart van Else is: 13.1.45 Dienstreise Mann Walter verl. bis 28.2.45. Net als meer leden van de Contactcommissie/afdeling blijkt hij dan gebruik te maken van een verplicht of toegestaan bezoek aan Amsterdam om daar onder te duiken. De achterkant van de kaart geeft verder aan dat Else van 24.07.44 tot 28.07.44 in het kampziekenhuis is opgenomen geweest.
De voorkant van haar persoonskaart vermeldt (handgeschreven): ‘Ontslagen 28.06.45’. Dat houdt in dat moeder en dochter pas tweeënhalve maand na de bevrijding van het kamp, terug kunnen keren naar Amsterdam. De reden van dit gedwongen verblijf in het kamp is dat de algehele bevrijding van Nederland moet worden afgewacht en verder dat de Canadezen eerst willen onderzoeken of er onder de kampbewoners geen verraders zijn of besmettelijke ziekten heersen. Volgens Liesel worden bij terugkomst in Amsterdam woning en inboedel van hun huis aan de Noorder Amstellaan (‘Mijn vader had wel dingen verpatst.’) in goede staat aangetroffen en wordt het gezin herenigd.

In 1947 wordt Walter net als de andere leden van de Contactafdeling/Contactcommissie van de Joodse Raad aangeklaagd vanwege de dubieuze rol die ze gespeeld zouden hebben. Hangende het onderzoek zit hij in de gevangenis. Hij en de overige leden worden uiteindelijk buiten vervolging gesteld. Hoewel hun gedrag als ‘tactloos’ wordt bestempeld, wordt het ‘beslist niet bewezen geacht’ dat er sprake is geweest van corruptie. Ook al wordt Walter Heynemann niet veroordeeld, toch spelen functie en functioneren bij de Joodse Raad een belangrijke rol in zijn verdere leven. Na de oorlog is het tussen de Joodse gemeenschap in Nederland en hem nooit meer goed gekomen.

Niet duidelijk is hoe Else hiermee is omgegaan.
Evenmin is duidelijk waarom van Walter en Liesel wel het Koninklijk Besluit van 1948 tot naturalisatie kan worden teruggevonden en dat van Else niet.

Walter Heynemann overlijd in 1959, op 58-jarige leeftijd. Else overleeft haar man met meer dan 30 jaar. Ze sterft op 04 februari 1991. Else ligt begraven op de Liberaal Joodse begraafplaats in Hoofddorp.