Emanuël Blok

De uit Duitsland afkomstige Solveig Ketelsen, die als vrijwilliger via de Aktion Sühnezeichen Friedensdienste (ASF) een jaar lang bij het Herinneringscentrum Kamp Westerbork werkzaam is, stelde een portret samen van de Joodse Emanuël Blok, die net als Solveig nu, voor én na de oorlog lange tijd in de stad Groningen woonde.

Emanuël Blok als kind met zijn ouders en zus Mimi.

Emanuël Blok

Emanuël Philippus Blok werd geboren op 30 november 1911 in Groningen. Vader Philippus Blok was veehandelaar en moeder Rebekka Blok-Dwinger bleef thuis om voor Emanuëls oudere zus Mietje (Mimi) en broer Philip (Flip) te zorgen. Zij woonden aan de Meeuwerderweg 114 in Groningen. In 1934 was het gezin Philippus Blok met de geboorte van zoontje Izak compleet. Over het geloof van Emanuël is weinig bekend.

Emanuël Blok begon zijn carrière als knecht in het kruideniersbedrijf N.V. Albinomaatschappij, aan het Winschoterdiep. Als commissionair van Hotel Kisch in de Stationsstraat ontmoette hij dienstmeisje Bertha Radix uit Smilde. Zij werden verliefd, maar zowel de ouders van Emanuël als vooral de christelijke ouders van Bertha waren hier niet blij mee. Toen Bertha zwanger raakte trouwde het stel op 29 maart 1934 zonder toestemming van hun ouders. Haar ouders wilden geen contact meer met Bertha en haar “slechte partij” en ook de familie Blok wees de “sjikse” eerst af. Een gemengd huwelijk was niet gewenst, omdat de volgende geslachten niet meer Joods waren.

Na zijn huwelijk werd Emanuël Blok vishandelaar. Velen vonden dat zijn haring de beste was.
Het gezin Blok woonde nu een tijdlang in het pakhuis van Emanuëls zwager in de Appelstraat en later met zijn twee zoontjes Philip en Hans in de Grote Leliestraat 44.

Nadat in 1941 alle Joden in Nederland zich moesten melden, werden de gemengd-gehuwden eerst achtergelaten. Toch werden vanaf 1943 ook gemengd-gehuwde Joodse mannen naar werkkampen gestuurd. Emanuël Blok werd evenals zijn broers en vader verplicht om in een kamp in Noord-Nederland te werken. Waarschijnlijk kwam hij in kamp Havelte terecht.

In de zomer van 1944 liep Emanuël met anderen vanuit het kamp ‘gewoon’ naar huis, naar Groningen. Daar werden de mannen echter weer opgepakt. Ze werden naar het gevreesde Scholtenshuis aan de Grote Markt gebracht, het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst en Sicherheitspolizei in Groningen, waar in de kelders verzetsstrijders gemarteld werden. Vanuit daar werd Emanuël op 30 september naar kamp Westerbork gestuurd.

Daar werden ze door een Nederlandse en een Duitse SS’er verhoord, waarbij één van de gevangenen zwaar mishandeld werd. De anderen werden niet geslagen, maar wel door de SS’er getreiterd.

Bij aankomst werd Emanuël met 21 andere gemengd-gehuwden Groningse mannen naar barak 21 gebracht. Zij hadden allemaal een “S” voor strafgeval op hun kleding, omdat zij ontsnapt waren uit het werkkamp, maar werden net zoals alle andere gevangenen behandeld. Op dat moment was het laatste transport naar het Oosten al geweest.

Op 19 december 1944 diende Emanuël een verzoek in om teruggestuurd te worden naar zijn gezin, omdat hij gemengd gehuwd was. De beslissing hierover werd pas 9 februari 1945 genomen. Intussen werd hij met zeven andere personen voor enige tijd naar de strafbarakken overgebracht. Twee geïnterneerden uit hun barak waren namelijk gevlucht. Nu moesten de anderen als represaillemaatregel tot 31 januari in de strafbarak verblijven. Nadat het verhoor uiteindelijk op 10 februari plaatsvond, werd besloten dat hij geen strafgeval meer was, maar moest hij in de Mischehenarbeitseinsatz gaan werken en mocht hij niet terug naar Groningen.

In maart werd hij met drie andere Groningers naar de strafbarakken gebracht in verband met het uit het kamp smokkelen van illegale brieven. Op 23 maart werd daarom de echtgenote van één van de gemengd-gehuwden opgewacht. Omdat men brieven bij haar vond moesten Emanuël en de drie andere strafgevallen ook naar de cellen van barak 51.

Daar werden ze door een Nederlandse en een Duitse SS’er verhoord, waarbij één van de gevangenen zwaar mishandeld werd. De anderen werden niet geslagen, maar wel door de SS’er getreiterd. Met z’n vieren zaten zij in een cel. Er was geen verwarming, ze hadden geen dekens en droegen alleen maar een werkoverall. Buiten begon de zon weer te schijnen, maar in hun cel was het erg koud. De gevangene leden erge honger. Per dag kreeg ieder een klein stuk brood, waaruit drie tot vier dunne sneetjes konden worden gesneden en gezamenlijk een kleine hoeveelheid drinkwater. Eindelijk werden zij na 16 dagen, op 7 april naar de gewone barak 22 gebracht.

Uitgeput maakte Emanuël daar de laatste zes dagen van het Durchgangslager Westerbork mee, terwijl de SD vluchtte. Toen de Canadezen op 12 april arriveerden was Emanuël Blok ontzettend blij. Hij hoopte naar huis te mogen. Helaas kregen alle gevangenen te horen dat ze nog moesten wachten, omdat het nog steeds oorlog was.

Op 15 april mocht een bepaalde aantal mensen het kamp verlaten, maar Emanuël behoorde niet tot deze groep. Daarom ontvluchtte hij op 16 april ’s nachts het kamp en keerde terug naar het net bevrijdde Groningen. Daar kreeg hij van de gemeente met zijn gezin een nieuwe woning aan de Noorderbuitensingel 11 en een viszaak van een NSB’er aan de Kromme Elleboog toegewezen. Helaas moest hij deze viszaak afstaan toen de desbetreffende NSB’er weer vrij kwam.

Van de familie Philippus Blok overleefden alleen Emanuël en Mietje met hun gezinnen de Tweede Wereldoorlog. De rest van de familie werd in Sobibor en Auschwitz vergast.