Erich & Martha Jonas

Haar naargeestige bruiloft zou uiteindelijk toch de belangrijkste dag uit het leven van Martha Jonas (1920) blijken te zijn: het hield haar uit de trein naar het Oosten en redde Martha daarmee feitelijk van een gewisse dood. Een portret met dank aan onderzoekster Myriam Daru.

Erich en Martha Jonas bij hun verloving.

Erich & Martha Jonas

Veel plezierige herinneringen bezat Martha Jonas in haar latere leven niet aan haar bruiloft, die in de nazomer van 1943 plaatsvond. Vanwege haar Joodse achtergrond was het haar ten eerste verboden om gebruik te maken van het openbaar vervoer. De 2,5 kilometer van het huis aan de Christiaan de Wetstraat naar de synagoge moest ze lopend overbruggen. Daarnaast moest Martha een Jodenster op haar bruidsjurk dragen – het laatste huwelijk ‘zonder ster’ was op 26 maart 1942, ruim een jaar eerder, voltrokken.

Een deel van haar familie was ten slotte niet op de bruiloft aanwezig. Haar vader Julius Simons en moeder Veronika Simons-Mohl zaten op dat moment al in kamp Westerbork gevangen. Voor de oorlog was Julius Simons rabbijn in Deutz, een stadsdeel van Köln. Na de Kristallnacht in november 1938 was hij korte tijd in Dachau opgesloten, waaruit hij in 1939 met hulp van het Opperrabbinaat van Amsterdam en op voorwaarde van verplichte emigratie naar Nederland, was vrijgelaten. In de loop van 1943 werden Julius en Veronika Simons opgepakt en naar kamp Westerbork overgebracht.

Daarnaast moest Martha een Jodenster op haar bruidsjurk dragen – het laatste huwelijk “zonder ster” was op 26 maart 1942, ruim een jaar eerder, voltrokken.

Het was in het kamp op de Drentse heide waar vader en moeder Simons met hun dochter Martha en schoonzoon Erich (1915) eind september 1943 werden herenigd. Erich en Martha vetrokken een dag na hun huwelijk met het laatste grote transport uit Amsterdam naar Westerbork. Ze waren in het bezit van een zogenaamde ‘120.000 stempel’ waardoor ze tot dan toe hun verblijf in Amsterdam hadden weten te rekken. Erich en Martha hadden deze bijzondere positie te danken aan Erich’s werk. Hij was voor de oorlog uit Köln naar Nederland gekomen om te werken bij Wemeta, het metaalbedrijf dat zijn vader Paul had opgericht met twee jonge compagnons.

Kort na de Duitse inval namen de nazi’s de leiding van Wemeta over. Er werd een zogenaamde ‘Verwalter’ aangesteld, kapitein Michael Sommer. Hij wist bij de nazi’s gedaan te krijgen dat ‘zijn’ Joodse medewerkers tot nader order van transport gevrijwaard zouden blijven. Ze kregen de opdracht de zwarte markt af te struinen op zoek naar mogelijke schaarse producten.

In Westerbork aangekomen wist Erich vanwege zijn stempel en werkverleden een goede functie te verkrijgen in het ketelhuis. Erich mocht een enkele keer op dienstreis het kamp verlaten en in juni 1944 werd hij voor een aantal weken in een groep van 50 gevangenen bij de SD in Zeist tewerkgesteld. Martha Jonas bleef achter in hun woninkje in één van de oude vluchtelingenbarakken van Westerbork, een plek bestemd voor de geprivilegieerden van het kamp, waartoe het stel inmiddels behoorde.

Werken in de kabelindustrie in kamp Westerbork.

Na de bevrijding op 12 april 1945, ‘de mooiste dag in haar leven’, sloten Erich en Martha zich aan bij het geallieerde leger. In 1947 emigreerde het stel naar de Verenigde Staten. Erich Jonas overleed er in 1973; Martha Jonas-Simons in 2012.

De ouders van Martha overleefden de Tweede Wereldoorlog niet. Beiden werden in het voorjaar van 1944 naar het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau gevoerd, waar zij direct na aankomst werden vermoord.