Erich Zielke

Erich Zielke, chef van de buitendienst van Westerbork, speelde een cruciale rol bij de bevrijding van het kamp op 12 april 1945, zo blijkt uit het verslag van medegevangene Gert Laske (1921).

Erich Zielke vooraan bij de handkar. Kamp Westerbork, 1942.

Erich Zielke

‘Om half twee s’ middags – ik had zojuist de jongens van de boerderij eten en drinken gebracht, kwam Erich Zielke ons mededelen, dat hij van zijn vergunning (melk voor het ziekenhuis van de boeren te halen) gebruik wilde maken om verder naar het kanaal door te lopen.

Hoewel ik zijn eigenlijke bedoeling nog niet helemaal begreep, vroeg ik – gedeeltelijk uit sensatielust, gedeeltelijk uit nieuwsgierigheid – of ik met hem mee mocht. Hij vond het goed en wij pakten onze fietsen om rechtuit tot het einde van het bos te rijden.

Onderweg waarschuwde Erich mij niet te spreken en van tijd tot tijd af te stappen om te luisteren of er niets bewoog in het bos. Want, nadat nog om ongeveer 12 uur Duitse soldaten langs het kamp getrokken waren, wisten wij niet of zich nog Duitse troependelen tussen ons en het kanaal bevonden.

Nu pas werd mij langzamerhand duidelijk aan welke gevaarlijke onderneming ik deel genomen had, maar de kalmte en zekerheid van Erich gaf ook mij de nodige rust voor deze voor ons kamp zo belangrijke onderneming, die tot doel had vast te stellen waar zich nog Duitse of reeds geallieerde troepen bevonden.

Aan het einde van het bos stopten wij voorlopig en legden onze fietsen in een zandkuil. Eerst bleven wij een kwartier bij onze fietsen zitten om de hele omtrek af te zoeken of er iets bewoog. Behalve een patrouille aan het kanaal was er niets te zien.

Nu pas werd mij langzamerhand duidelijk aan welke gevaarlijke onderneming ik deel genomen had, maar de kalmte en zekerheid van Erich gaf ook mij de nodige rust voor deze voor ons kamp zo belangrijke onderneming, die tot doel had vast te stellen waar zich nog Duitse of reeds geallieerde troepen bevonden.

“Verder dus”, zei Erich en in gebukte houding liepen wij dwars over de wei van een boer, circa 100 meter verder, gedekt door struiken, langs een sloot liepen wij door, uitkijkend naar enige beweging. Niets te zien; behalve die geheimzinnige patrouille waarvan we niet wisten of hij een geallieerde of een Duitse was.

Dus weer een sloot verder en dan plotseling op de weg Zwiggelte-Beilen-Hooghalen, een… ja, wat was het toch eigenlijk? Het leek alsof een hele reeks motorfietsers naar het Oranjekanaal doorgestoten was – of zouden het terugtrekkende Duitsers zijn? Wat is er aan de hand? Een sloot verder…

“Tjonge, Floh”, fluisterde Erich, “dat zijn tanks!”
“Ik geloof het ook, maar wat voor tanks?”
Verder, langs de volgende sloot…
“Daar staan boeren op de hei ons toe te wuiven”, zei ik tegen Erich en rechtop liepen wij tot aan het kanaal.
Daar begroetten ons enige boeren met de woorden:
“Hartelijk gefeliciteerd, wij zijn vrij!! Gedurende twee uur rollen tank na tank en auto na auto over de brug naar Hooghalen!”

Bevrijding kamp Westerbork.

Dus wij naar de brug.
Erich vroeg een Canadees naar de Captain, terwijl ik, nog volkomen overstuur was van het feit, dat ik als eerste, samen met Erich, geallieerde soldaten had gezien.
“Als zij nu maar ook direct in het kamp kwamen, waar zij allemaal zo verlangen naar hun uitkijken”, was mijn eerste gedachte, nadat ik instaat was weer geregeld te denken.

Toen ik omkeek was Erich reeds verdwenen. Kort daarop riep hij mij en plotseling stond ik voor – zoals later bleek – Captain Morris. Na enkele door een tolk gestelde vragen over het kamp en of er nog Duitse soldaten in de buurt waren, vroeg hij ons in opdracht van Captain Morris of wij er iets voor voelden met hem naar het kamp te rijden. Wij waren enthousiast, stapten in zijn wagen en reden langs de Westerborkse haven, naar de weg, die naar het kamp leidde.

Op de hoek riepen ons vrouwen toe: “Achter de hooimijten zijn nog moffen!” Dat trof mij als een klap in het gezicht, want ik voelde wantrouwen bij Captain Morris en de anderen in onze wagen, opkomen. Zwijgend reden wij door, langs het kanaal naar Elp. Daar werden de Canadezen met grote hartelijkheid begroet, want nadat Elp reeds de avond te voren door Franse parachutisten bevrijd was, hadden de volgende ochtend de Duitsers het dorp weer bezet. Van Elp ging het naar Schoonloo. Eerst werd de hele omgeving afgezet. Nadat de Captain en zijn soldaten het arbeidskamp kort voor Schoonloo doorzocht hadden, reden wij weer naar Elp.

Na een kort gesprek met de Captain keerden wij naar ons uitgangspunt aan de brug bij het Oranjekanaal terug. Onderweg vernamen wij van de tolk, dat de Captain aan een aantal tanks opdracht had gegeven de weg naar het kamp in te laten slaan en daar ons op te wachten.

Toen wij bij de brug aankwamen, hadden de tanks reeds een verkeerde – of beter gezegd niet de kortste weg naar het kamp genomen. Dan maar voorruit, dwars door het bos, als we maar naar snel naar het kamp komen.

Gedurende deze tocht, drukte ik enkele keren Erich’s hand, uit dankbaarheid en waardering, en toen gleed een glimlach over zijn, de hele tijd, zo gespannen en ernstig gebleven gezicht.
Dwars door het bos en hei reden wij achter de tanks naar de kampboerderij – en eindelijk tegen vier uur ’s middags stonden wij op de toegangsweg naar het kamp.
Kamp Westerbork was bevrijd!’