Ernst Gerhard Frank

De Duits-Joodse Ernst Gerhard Frank wist in relatief korte tijd een belangrijke functie binnen kamp Westerbork verkrijgen. Het was (vooral) deze functie waardoor Ernst Frank tot de bevrijding in Westerbork wist achter te blijven. Een portret in samenwerking met gepensioneerd geschiedenisdocent Hans Piek.

Schoenmakers in kamp Westerbork, 1942.

Ernst Gerhard Frank

Voor een Duits-Joodse vluchteling kwam de in Chemnitz in 1892 geboren Ernst Frank relatief laat in kamp Westerbork aan. Begin 1942 werden zo’n 500 in het westen van Nederland verblijvende vluchtelingen naar Drenthe overgebracht, waaronder Frank. Een groep met ‘Neuankommlingen’, zo stelde een bewoner die destijds al langer in kamp Westerbork verbleef. Tussen de nieuwe gevangenen en deze “oude” bewoners ontstond binnen korte tijd een sluimerende spanning. ‘Weliswaar leven de nieuwe mensen die naar hier gekomen zijn, zich niet zo gemakkelijk in, wat wel te begrijpen is, maar zij zullen wel moeten, net zo goed als wij het gedaan hebben’, schreef de dan een jaar in het kamp woonachtige Werner Stertzenbach op 1 februari 1942 aan zijn vriendin Stella Pach.

Ernst Frank verbleef op dat moment al een jaar of drie in Nederland. Voor de oorlog woonde hij in Bloemendaal en Heemstede. Kort na de Duitse inval werd door de nieuwe autoriteiten besloten dat het Nederlandse kustgebied voor Joden verboden zou worden. In september 1940 vestigde Frank zich met ruim 350 andere Joden in Hilversum waar inmiddels een relatief grote Joodse vluchtelingenenclave was ontstaan. In tegenstelling tot vele andere plaatsen werd Hilversum al in 1941 bestuurd door een NSB-burgemeester. Op het gebied van de anti-Joodse maatregelen legde deze burgervader de nazi’s geen strobreed in de weg. Hilversum behoorde tot de eerste plekken waar Joden in het café en zwembad geweerd werden en waar Joodse sporters niet langer van een vereniging lid mochten zijn.

Waarschijnlijk was Ernst Frank niet alleen naar Nederland gekomen: op zijn gezinskaart van het bevolkingsregister staat te lezen dat hij getrouwd was met Emma Elisabeth Göritz en twee kinderen had: Günther Konrad en Horst Heinz. De ouders van Ernst waren voor de oorlog al overleden: vader Julius in 1930, moeder Katharina in 1936. Emma en de kinderen zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in Westerbork gevangen. Vermoedelijk wisten zij in de onderduik de oorlog te overleven.

Wat schoenen en garen waren weg, evenals een grijze bontmuts. Ernst verdacht de Canadese bevrijders van de diefstal. Hij had in ieder geval een soldaat zien lopen met een dergelijke bontmuts.

Ofschoon Ernst Frank dus pas in 1942 in het kamp kwam werd hij door de autoriteiten beschouwd als een “Alter Lagerinsasse”. Ernst had hierdoor een Sperre, wat betekende dat hij, zolang het duurde, niet op transport naar het Oosten hoefde. Zijn positie werd verstevigd door zijn functie. Binnen een jaar wist Ernst zich op te werken tot plaatsvervangend leider van het zogenoemde Dienstbereich 8. In december 1942 was er in kamp Westerbork een werkcentrale opgericht waarin verschillende werkplaatsen waren ondergebracht. Een maand later volgde een herindeling waarin de werkplaatsen werden verdeeld over twee afdelingen. De kleermakerij, naaikamer, schoenmakerij en wasserij vielen vanaf dat moment onder Dienstbereich 8. Werkstätten II.

Samen met zijn collega Sämmy Rosenberg gaf Ernst anderhalf jaar leiding aan een groots opgezet, maar soepel draaiende werkafdeling. ‘Gisteren mijn schoenen in de reparatie gegeven. Vanmorgen waren ze kant en klaar terug, goed genaaid en een duim dik verzoold! Service, meneer, service’, zo noteerde Philip Mechanicus op 13 juli 1943 bijvoorbeeld in zijn dagboek. In 1943 werden door de schoenmakerij in kamp Westerbork in totaal ruim 40.000 schoenen gemaakt. De naaikamer, waar vooral vrouwen werkten, repareerde daarnaast meer dan 11.500 kledingstukken. ‘Ik werkte in de naaikamer. Dat was een zeer gewild baantje’, aldus kampoverlevende Ina Soep. ‘Hier moest ik leren om op een naaimachine kapotte lakens heel netjes je repareren. Die lakens in het kamp zelf waren alleen voor de geïnterneerde (Joodse) Duitsers, die niet in barakken woonden, maar in een rij kleine huisjes.’

Na het transport van zijn goede vriend Sämmy Rosenberg in september 1944, werd Ernst Frank benoemd tot eerste dienstleider van de werkafdeling. Dit bleef hij tot zijn ontslag op 28 juni 1945. Op 13 april 1945, één dag na de bevrijding van kamp Westerbork, deed Frank aangifte van vermissing van enkele goederen uit één van de werkplaatsen. Wat schoenen en garen waren weg, evenals een grijze bontmuts. Ernst verdacht de Canadese bevrijders van de diefstal. Hij had in ieder geval een soldaat zien lopen met een dergelijke bontmuts.

Na zijn vertrek uit Westerbork woonde Frank met zijn gezin vanaf oktober 1945 in Amsterdam. Daar bleef hij niet lang: in juli 1946 vertrok de familie naar New York. Daar woonde in ieder geval Emma Frank in de jaren zestig nog steeds: haar naam komt voor in een onderzoek naar de moordenaar van John F. Kennedy, Lee Harvey Oswald.