Eugen Suschny

Eugen Suschny werd tot driemaal toe in kamp Westerbork gevangen gezet. Elke keer wist hij opnieuw van deportatie gevrijwaard te blijven. Dit portret is geschreven door geschiedenisstudente Jessica Benjamins met hulp van scholieren Tim Haverkamp en Aron van Dijk van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap uit Stadskanaal.

De strafbarak van kamp Westerbork.

Eugen Suschny

Eugen Suschny werd op 20 oktober 1895 in Wenen geboren. Hij was de zoon van Anna Hirschl (1873-1942) en Isidor Suschny (1867-1924). Na de dood van haar eerste echtgenoot, in 1924, hertrouwde Anna met Arthur Hirschl. Met haar eerste man Isidor kreeg Anna naast Eugen nog twee dochters: Lilli (1898) en Erna (1899).

Vlak na de Eerste Wereldoorlog, in 1920, besloot Eugen naar Nederland te vertrekken. Dit was ruim voor de aansluiting (‘Anschluss’) van Oostenrijk bij nazi-Duitsland (1938). Vermoedelijk is Suschny om economische redenen naar Nederland gekomen en dus niet, zoals veel Joden uit Duitsland en Oostenrijk enkele jaren later, als politiek vluchteling.

Eugen was koopman en in 1940 woonachtig in Zaandam. Dit was vanaf eind jaren dertig tevens de woonplaats van Eugens zus Erna. Zij wist net als haar broer de oorlog te overleven. Na de bevrijding emigreerde Erna naar de Verenigde Staten.

Op 14 januari 1942 kregen alle Joden in Zaandam een brief met daarin de mededeling dat ze zouden worden geëvacueerd. De nazi’s hadden besloten om Zaandam als eerste Nederlandse gemeente ‘Judenrein’ te maken. Alle Joden met een Nederlandse nationaliteit werden naar Amsterdam overgebracht; alle buitenlandse Joden – zoals Eugen Suschny – zouden naar kamp Westerbork worden gestuurd.

Een "vrijgezellenbarak" in het Vluchtelingenkamp Westerbork.

Drie dagen na het ontvangen de desastreuze brief moest Eugen zijn huis en bezittingen achterlaten. Weer twee dagen later werd hij vervolgens ingeschreven in de administratie van kamp Westerbork. Als alleenstaande man en ‘Neuankommling’ binnen de kamphiërarchie (de meeste bewoners leefden in januari 1942 al jaren of op zijn minst maanden in Westerbork) kwam Eugen terecht in een zaal in één van de “vrijgezellenbarakken”. Met negentien andere mannen sliep hij daar op enkele bedden. Voor elk was een kast beschikbaar om de eigendommen in op te bergen.

Zijn vroege aankomst in kamp Westerbork bezorgde Eugen vanaf juli 1942 een voorlopige vrijstelling van transport naar het Oosten. Iedereen die zich voor 1 juli 1942 in het kamp bevond, werd in augustus van dat jaar op een zogenaamde stamlijst geplaatst. Zij zouden in Nederland (Westerbork) te werk worden gesteld en, zo werd hen voorgeschoteld, hoefden niet te vrezen voor deportatie.

Welke werkzaamheden Eugen in Westerbork heeft uitgevoerd is niet duidelijk. Het is echter goed mogelijk dat hij, gezien zijn achtergrond als handelaar, zijn beheersing van de Nederlandse taal en zijn voormalige woonplaats, als inkoper voor het kamp is ingeschakeld. Vooral vanaf 1943 werden er in naam van het kamp bestellingen voor bijvoorbeeld goederen en voedsel bij bedrijven in het westen van Nederland geplaatst. Invloedrijke gevangenen die als directeur, zakenman of handelaar goede connecties bezaten werden daarbij als tussenpersoon ingezet. Zij mochten op dienstreis Westerbork regelmatig verlaten. Doel was dat zij door hun netwerk goede (prijs)afspraken konden afsluiten die gunstig voor het kamp zouden zijn.

Eugen zou een kind zijn uit een huwelijk tussen een niet-Joods en een Joods persoon. Het zorgt er uiteindelijk zelfs voor dat hij vrijgelaten wordt: op 9 oktober 1943 wordt Eugen officieel ontslagen en vertrekt hij naar Amsterdam.

Het is wellicht bij één van deze dienstreizen geweest dat Eugen wist te ontsnappen. Feit is dat Eugen op 18 februari 1943 in de kampadministratie als ‘vermist’ wordt opgegeven. Lang weet hij echter niet uit handen van de nazi’s te blijven: in de nacht van 28 op 29 mei 1943 komt Eugen opnieuw in Westerbork terecht. Kort te voor is hij op de Deurlooweg in Amsterdam opgepakt. Met 450 andere gevangenen wordt hij barak 57, één van de grote woonbarakken geplaatst.

In de maanden na zijn tweede aankomst weet Eugen aan een nieuwe ‘Sperre’ te komen. Met hulp van medewerkers van de zogenaamde ‘Antragstelle’ (een kamporganisatie die voor gevangenen bemiddelt bij het verkrijgen van een vrijstelling voor transport) overtuigt hij de nazi’s ervan dat hij een ‘Mishling’ is. Eugen zou een kind zijn uit een huwelijk tussen een niet-Joods en een Joods persoon. Het zorgt er uiteindelijk zelfs voor dat hij vrijgelaten wordt: op 9 oktober 1943 wordt Eugen officieel ontslagen en vertrekt hij naar Amsterdam.

Het beleid van de nazi’s ten opzichte van gemengd-gehuwde personen en hun kinderen is echter warrig. Krap een jaar later wordt Eugen voor de derde maal opgepakt en naar Westerbork gebracht. Het is nu juist vanwege zijn status als ‘Mishling’ dat hij in de beruchte strafbarak van het kamp terecht komt, en niet in het reguliere kamp. Gedeporteerd wordt hij – merkwaardig genoeg opnieuw vanwege zijn status als zoon van een niet-Joodse ouder – echter niet. Na zijn terugkomst moet Eugen in aardappelkeuken aan het werk.

Als Westerbork op 12 april 1945 bevrijd wordt, moet Eugen nog meer dan twee maanden in het kamp verblijven. Op 28 juni mag hij eindelijk kamp Westerbork definitief verlaten. Hij gaat wonen op de Ooievaarstraat 43 in Zaandam.

Eugen Suschny is op 2 januari 1973 in Zaandam overleden.