De familie David

Herman Heikens komt als opgroeiende jongen kort na de Tweede Wereldoorlog in kamp Westerbork terecht waar zijn vader een baan heeft aangeboden gekregen. Hij ontmoet er twee speelkameraadjes. Eén daarvan is het Joodse meisje Ruth David die in 1940 in het kamp is geboren.

Ruth David.

De familie David

Voor Herman Heikens, in 1939 in Groningen geboren, bestaat zijn tijd in kamp Westerbork voornamelijk uit positieve herinneringen. Hij komt er terecht in de winter van 1945 als Westerbork als interneringskamp dient voor NSB’ers, SS’ers en andere van collaboratie met de nazi’s verdachte personen.Hermans vader is er aangesteld als hoofd van de inwendige dienst.

In  het kamp ontmoet Herman al snel twee speelkameraadjes, Marianne Huisman en Ruth David, een Joods meisje. Ruth is in 1940 in kamp Westerbork geboren en heeft er dan haar hele leven gewoond. Ernst David (1900), haar vader, is tijdens de oorlog de chef-kok van het kamp en blijft daardoor met zijn vrouw Frieme (1907) gespaard van transport naar het Oosten. Na de bevrijding krijgt David het verzoek om als hoofd van de keuken in Westerbork te blijven. Alhoewel het tussen de vaders van Herman en Ruth bepaald niet botert, weten beide kinderen in de jaren die volgen een bijzondere vriendschap op te bouwen.

Herman Heikens met zijn broertje in kamp Westerbork.

‘We gingen vaak naar de kampboerderij toe. Of naar het vennetje, kijken of er ook adders waren. In de zomer zwemmen, in de winter schaatsen. In de broedtijd kregen we schijnaanvallen van de vogels wat heel spannend was. We gingen in Hooghalen naar school. Ruth zat twee klassen lager dan mij. We waren er een beetje de buitenbeentjes, we kwamen natuurlijk niet uit het dorp zoals de rest van de kinderen. Op een gegeven moment ging het verhaal dat klasgenoten in onze melk hadden gespuugd. Vanaf dat moment moesten wij van onze ouders tussen de middag naar een lokaal café om de lunch te nuttigen.’

Op het moment dat wij vervolgens een klein vuurtje hadden gemaakt, begonnen vanwege de droogte ook de grote bomen te branden. We wisten ternauwernood te ontsnappen. De brandweer in het kamp is toen uitgerukt om de boel te blussen. Het was een enorme vuurzee geworden

‘Zomers waren we met z’n drieën altijd in de buurt van het kamp te vinden. Wat we dan vaak deden, stiekem natuurlijk, was een vuurtje stoken op een open plek in het bos. Zo ook op een warme dag in de zomer van 1947. Ruth had daarvoor wat lucifers geregeld. Op het moment dat wij vervolgens een klein vuurtje hadden gemaakt, begonnen vanwege de droogte ook de grote bomen te branden. We wisten ternauwernood te ontsnappen. De brandweer in het kamp is toen uitgerukt om de boel te blussen. Het was een enorme vuurzee geworden. We zijn er uiteindelijk met een reprimande van afgekomen. Later heb ik eens gelezen dat een belangrijke oorlogsmisdadiger, Jacob Luitjens, tijdens een bosbrand uit Westerbork was ontsnapt. Jarenlang heb ik gedacht dat wij hiervoor verantwoordelijk waren. Onlangs heb ik echter begrepen dat hij al in 1946 was gevlucht. Een enorme opluchting maakte zich van mij meester toen ik dat hoorde.’

‘De vader van Ruth was altijd erg bezorgd om haar. Bij spelletjes zoals tikkertje en verstoppertje mocht ze nooit te hard lopen. Als haar vader vond dat ze in zijn ogen wat te wild deed, werd ze naar binnen geroepen. Als goedmakertje kreeg ze dan een stuk van één zijn zelfgemaakte cakes. Heerlijk waren die.’

Tekening voor Ernst David, gemaakt in het Durchgangslager Westerbork.

‘Na ons vertrek uit kamp Westerbork in december 1948 is het contact met Ruth snel verwaterd. Wij gingen naar Groningen, zij emigreerden naar Canada. Pas onlangs heb ik haar terug gezien. Voor een documentaire was ze in de zomer van 2014 terug in Westerbork en mocht ik haar in het dorp Hooghalen en in het kamp rondleiden. Ze bleek gelukkig enorm aardig en de sfeer was al snel goed. Achteraf ben ik dan ook blij dat ik haar weer ontmoet heb. Het betekende voor mij een mooie herinnering aan een bijzondere tijd van mijn leven.’