De familie Tischler

Erni Tischler (1929) maakte met haar ouders Max (1899) en Lea (1891) op 12 april 1945 in kamp Westerbork de bevrijding mee. Enkele jaren geleden werd ze geïnterviewd door de conservator van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Een portret samengesteld met hulp van Niels, Bert Jan en Joram van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap in Stadskanaal.

De eerste ingang van kamp Westerbork.

De familie Tischler

‘Mijn vader was voor de oorlog kleermaker. In de crisis van de jaren dertig was dat een zwaar beroep. Hard werken, daar bestonden zijn dagen uit. Wij woonden op de Transvaalkade, in Amsterdam-Oost. Pas gebouwde woningen die er door de Algemene Woningbouwvereniging speciaal voor arbeiders waren neergezet. Daar was mijn moeder lid van. Een buurt waar veel Joden woonden. Mijn vader had een atelier een paar huizen verderop. We deden weinig aan het Joodse geloof, een paar tradities, dat was het wel.

We hadden een goede band met de familie van mijn moeder. We vierden niet echt sabbat maar kwamen wel elke vrijdagavond met de familie bij elkaar. Ik had een nicht die, wat de nazi’s later zeiden, “half-Joods” was. Met haar trok ik veel op. We zongen Franse liedjes en later zijn we samen op ballet gegaan. Daisy, zo heette ze, heeft, zo kan ik nu wel zeggen, een belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Tijdens de oorlog was zij één van de medewerksters van de creche die kinderen uit de Hollandsche Schouwburg wisten te smokkelen.

Ik herinner mij de vliegtuigen die op 10 mei 1940 overvlogen. De oorlog was begonnen. Iedereen stond buiten te kijken en het nieuws te volgen. In het begin merkten we weinig van de haat tegen de Joden. Het leven leek gewoon verder te gaan. Aan vluchten werd niet gedacht, daar waren we denk ik ook te arm voor geweest.

In 1941 moest ik naar het Joodse Lyceum. Daar heb ik een jaar opgezeten. In de zomervakantie van 1942 doken we onder. Mijn vader was al eerder weggegaan. Er kwamen toen politiemensen bij ons aan de deur op zoek naar mijn vader. Na die huiszoeking zijn ook mijn moeder en ik vertrokken. Door Daisy ben ik naar Edam gebracht. We zijn ondergedoken in Middelie, een klein dorp op zo’n vijf kilometer van Edam. Vrijwel de hele familie zat daar in de buurt ondergedoken.

We zaten ondergedoken bij de familie Inkelaar. Een bakker met vier dochters waarvan er nog twee thuis woonden. Zijn vrouw zat al jaren in een psychiatrische inrichting. Mijn vader en moeder hebben de huishouding overgenomen. Het was zo’n dorpje waar alle deuren en ramen openstonden. Iedereen kon bij iedereen naar binnen kijken en lopen. Niemand heeft ooit iets over onze aanwezigheid gezegd.

We sliepen in een kleine kamer met een paar tweepersoonsbedden. Ik had mijn boeken uit het eerste jaar van het Gymnasium meegenomen en ben toen begonnen met het herhalen van alles wat ik het afgelopen jaar had geleerd. De bakker had ook wat goedkope boeken die ik grijs gelezen heb. Soms mocht ik met één van de dochters van de bakker naar buiten, natuurlijk wel in de buurt van de woning.

Iedere dag kwamen er nog mensen in Westerbork binnen die in de onderduik opgepakt waren. Op een dag zag ik mijn vader en moeder binnenkomen. Dat was een vreemd gevoel. Op de één of andere manier kon ik dat toen niet helemaal plaatsen, mijn ouders in kamp Westerbork.

Eén van de thuiswonende dochter kreeg op een gegeven moment een vriendje die ook mij verliefd werd. Er werd daarom besloten dat ik naar een ander onderduikadres moest. Ik kwam terecht in Leidschendam, in een soort commune avant la lettre, met een grote groep andere onderduikers. Dat werd, naar omstandigheden natuurlijk, nog best gezellig.

In januari 1945 ben ik in Leidschendam opgepakt en naar het gebouw van de SD gebracht. Daar werden we verhoord. Ze vroegen me waar mijn ouders waren en ik loog dat zij al lang opgepakt en weggevoerd waren. Dat werd gelooft. Begin februari zijn we met een goederentrein naar Westerbork gegaan.

In Westerbork kwamen we in verschillende barakken terecht. Ik werd naar een zaal in barak 12 gebracht waar ik moest slapen op een tweehoog stapelbed. Mijn tante was er ook, zij sliep op het beneden-bed en ik bovenop. Gezien mijn leeftijd kwam ik aanmerking om ordonnans te worden. Dat leek me wel een mooie baantje. Beetje boodschappen rondbrengen en overal mogen komen.

Iedere dag kwamen er nog mensen in Westerbork binnen die in de onderduik opgepakt waren. Op een dag zag ik mijn vader en moeder binnenkomen. Dat was een vreemd gevoel. Op de één of andere manier kon ik dat toen niet helemaal plaatsen, mijn ouders in kamp Westerbork. Ze bleken opgepakt zijn via de jongen die verliefd op mij was geworden, die vriend van één van de bakkersdochters. Die zat diep in het verzet en toen de nazi’s op huiszoeking in Middelie kwamen hadden ze mijn ouders ontdekt.

Mijn tante had een klein zoontje die uit de onderduik kort na de bevrijding naar kamp Westerbork werd gebracht. Dat kan ik me nog van die bevrijding herinneren. Dat wij in mijn herinnering met een Canadese tank naar dat jongetje zijn toegegaan. Hij leeft nog steeds, dat neefje. Jack Eljon is zijn naam.

Na de bevrijding heb ik een tijdlang bij Daisy, mijn nicht, ingewoond. Ik ben weer naar het Gymnasium gegaan. Later ben ik bij het Parool gaan werken. Mijn vader heeft nog jaren aan huis een atelier gehad. Op het laatst heeft hij zelfs nog bij een textielfabriek moeten werken. Mijn moeder, die acht jaar ouder was, is uiteindelijk dement geworden. Ze zijn op het einde van hun leven opgenomen in het Sinaï Centrum in Amersfoort waar beiden zijn overleden.

Het gekke is dat ik altijd heb gedacht dat ik het niet zo erg heb gehad. Alleen maar een paar jaar opgesloten gezeten, weinig familie verloren. Ik heb me dat zelf altijd voorgehouden, dat het allemaal veel erger had gekund. De hiërarchie van het leed noemt men dat. Bij ons thuis werd nooit over de oorlog gesproken. Spreken over actuele zaken, over het heden was het credo. Laat het verleden het verleden blijven.’