Franklin D. Coslett

Franklin D. (Dent) Coslett is de enige Amerikaanse man die in Westerbork is bevrijd. Hij verblijft er in 1945 maar enkele weken, maar zijn tijd daarvoor en erna in Nederland is bijzonder. Hij is één van de ex-gevangenen die vanuit De Kruisberg in Doetinchem kamp Westerbork bereikt. Een portret door Richard Schuurman.

Franklin Coslett (r.) en de Poolse piloot Czesław Oberdak vieren Sinterklaas 1944 op hun onderduikadres aan de Michelangelostraat 36 in Amsterdam. De Goedheiligman is Maarten Viruly, zoon van de bekende KLM-piloot. 
(foto Fritz Kahlenberg/collectie Tonny van Renterghem).

Franklin D. Coslett

Franklin Coslett wordt geboren op 9 mei 1915 in Edwardsville (Pennsylvania). Op zijn 16e gaat hij werken bij radiostation WBRE en wordt later verslaggever voor onder meer Associated Press (AP). In de oorlog gaat hij in dienst bij de US Air Force. Begin 1943 wordt als navigator ingedeeld bij het 788th squadron van de 467th Bombardment Group, waarvoor hij acht missies vliegt.

Op 29 april 1944 bombarderen hij en tien collega’s met hun Consolidated B-24 Liberator spoorwegdoelen nabij Berlijn. De Duitse luchtafweer is hels en raakt tot drie keer toe het vliegtuig. De derde inslag is fataal: een motor en brandstofleiding zijn geraakt, wat terugkeer naar de Britse basis Rackheath onmogelijk maakt. Rond twee uur ’s middags springen de elf Amerikanen boven Oost-Nederland uit de B-24, die uiteindelijk crasht bij Uddel.

Bungelend aan zijn parachute komt Franklin Coslett terecht in Vierhouten. Hij vindt een schuilplaats bij Pieter IJzerman, directeur van een verffabriek in Nunspeet. Die helpt hem aan burgerkleding en een vals identiteitsbewijs. Zes dagen later haalt de zelf ondergedoken huisarts Willem Wolffensperger hem daar weg en brengt Coslett onder in Doornspijk bij huisarts Bruins.

Het gezin IJzerman.

Op 29 mei verlaat Coslett de Veluwe. Per auto gaan hij en zijn crewmaten Walter Kilgore en Werner Braun naar Zwolle en vervolgens door naar Ommen, naar het afgelegen huisje van Jan en Koosje Seigers. Het zijn actieve pilotenhelpers. Jan pikt een dag later de Pool Czesław Oberdak op, die in de buurt een noodlanding heeft gemaakt.

Een maand lang zijn de piloten veilig in Ommen, maar ze moeten vluchten als Jan op 29 juni in de val loopt en wordt opgepakt. Duitse manschappen speuren ’s nachts de omgeving af, maar zien niet dat de piloten en Koosje Seigers zich in een greppel hebben verstopt.

De drie Amerikanen en de Pool gaan enkele weken naar een boerderij in Rechteren bij Dalfsen, voordat de Zwolse verzetsgroep ‘De Groene’ hen onderbrengt op een schip in het riet aan de Vecht bij Hasselt. Half juli reizen ze per trein naar Harderwijk, waar ze eerst in een eendenkooi in Hierden en later boven een bakkerij in Harderwijk worden verstopt.

Franklin heeft in twee maanden redelijk Nederlands geleerd en kan doorgaan voor een Limburger. Hij is ondernemend, wat hem interessant maakt voor een rol in het verzet. Dat verklaart mogelijk waarom hij en Oberdak in augustus naar Amsterdam worden overgebracht. Uiteindelijk krijgt Franklin geen actieve rol. Hij verblijft op drie adressen, het laatste in de Michelangelostraat: het is letterlijk om de hoek van het hoofdkwartier van de SD aan de Euterpestraat. Het huis zit vol Joden, verzetsstrijders en een geheimagent. Op 5 december vieren ze uitbundig Sinterklaas, op foto’s vastgelegd door een verzetsgroep.

Het huis is niet veilig en al eens bijna ontdekt. Daarom gaan Coslett, Oberdak en geheimagent André van Rijsewijk een dag later per fiets richting Beekbergen. In Hoenderloo vangt de familie Schol hen op en brengt het drietal naar een onderduikhol in de bossen van schietkamp De Harskamp, waar al een Brit en een Rus zitten.

De SD brengt Franklin en Czesław naar Velp, waar ze op kerstavond tegen de gebruikelijke procedure in door een SD-rechtbank worden veroordeeld: ‘We kregen beiden de doodstraf. Dat was niet verwonderlijk, want in het hol lagen allemaal wapens en munitie.´

Het is de ochtend van 24 december 1944: een truck van de Wehrmacht krijgt op de weg naar Otterlo een lekke band. De Duitsers trekken doelloos door het bos, tot ze rook uit de grond zien komen en stemmen horen. De onderduikers zijn ontdekt. Als de Brit verwarring zaait, weten hij, de Rus en Van Rijsewijk te ontkomen. ‘Czes en ik hebben geprobeerd te vluchten, maar ik werd in mijn been geraakt. Het was niet ernstig, maar ik kon niet verder’, vertelt Coslett jaren later.

De SD brengt Franklin en Czesław naar Velp, waar ze op kerstavond tegen de gebruikelijke procedure in door een SD-rechtbank worden veroordeeld: ‘We kregen beiden de doodstraf. Dat was niet verwonderlijk, want in het hol lagen allemaal wapens en munitie.´
In elk geval Coslett zit tot half februari gevangen in de voormalige Rotterdamsche Bank in Velp, waar hij op 14 januari een mislukte uitbraak meemaakt. Hij wordt overgeplaatst naar het cellencomplex van jongensinternaat De Kruisberg in Doetinchem, waar de SD tientallen ‘Todeskandidaten’ heeft opgesloten, wachtend op een aanleiding hen te executeren.

Deel van het oorspronkelijke monument voor de slachtoffers van de Woeste Hoeve, 1945.

Coslett ziet in De Kruisberg Pieter IJzerman en zoon Bram terug, tot zij op 2 maart als represaille bij Varsseveld worden doodgeschoten. En hij komt in de wasruimte Czesław Oberdak tegen – tot 8 maart. Pas later hoort hij van een vrouwelijke medegevangene dat Oberdak die dag ‘s ochtends vroeg met 24 anderen is afgevoerd, zonder te weten waarheen. De Amerikaan en de Pool zien elkaar nooit weer. Als Coslett dit in september 1991 vertelt aan journalist Richard Schuurman, brengt hem dat op het spoor van Oberdaks betrokkenheid bij de massa-executies bij Woeste Hoeve. Pas in 2008 komt definitief vast te staan dat Oberdak één van de twee onbekende slachtoffers is van deze executies, waarbij 117 mannen zijn doodgeschoten.

Franklin Coslett blijft dan nog drie weken in De Kruisberg. Een vleugel van het complex is bij geallieerde bombardementen op Doetinchem flink beschadigd. Er is sprake van ‘drohende Ortskampf’: volgens bevel van Befehlshaber der Sicherheitspolizei Eberhard Schöngarth moeten in die situatie Todeskandidaten standrechtelijk worden doodgeschoten en andere gevangenen vrijgelaten, zo weet Georg Bernhard Haase. De SD-Einsatzkommandoführer uit Groningen, berucht van represailles en wraakmoorden, is kort tevoren overgeplaatst naar Lochem en hoort daar over de situatie in De Kruisberg.
Haase verklaart later in een proces-verbaal dat hij het bevel niet wil uitvoeren. Hij vraagt Ortskommandant Ortmann van Doetinchem telefonisch om de gevangenen vrij te laten, maar die weigert: er zijn geen vrachtauto’s en de gevangenen zijn ‘eigendom’ van Schöngarth, die moet beslissen. Haase probeert bij de Fahrbereitschaft in Deventer zelf vervoer te regelen, maar hun auto’s zijn al bezet. Bovendien wil leider Hofmann zonder akkoord van de BdS niets beschikbaar stellen. Na veel heen-en-weer gebel krijgt Haase Schöngarth aan de lijn: ‘Pas nadat ik op zijn geïrriteerde tussenvragen en bevelen had geantwoord dat uitvoering daarvan onmogelijk was, heeft hij een auto voor transport beschikbaar gesteld en kamp Westerbork als bestemming aangewezen, omdat de transporteenheid van de BdS daar binnenkort naar toe zou worden overgeplaatst.´ Daarna draagt Haase Ortmann op de gevangenen als gewone gevangenen te behandelen.

Het transport vindt plaats op 27 maart. Volgens gevangene Albert Jan Koeslag halen twee vrachtwagens zes mannen en 57 vrouwen op. Het dagboek van Jacoba van der Kun bevat de exacte tijd: tien over negen ’s avonds: ‘Plotseling moesten we allen aantreden in de gang. Naar huis? Nee, natuurlijk niet! (…) Natuurlijk naar Westerbork. Zolang die Duitsers in ons land zijn, zullen wij gevaarlijk voor hen zijn.´ Ortmann meldt later aan Haase dat het transport ‘zonder oponthoud probleemloos is uitgevoerd’.

De voormalige gevangenis De Kruisberg in Doetinchem.

Franklin Coslett denkt aanvankelijk dat hij naar Duitsland gaat om als ruilgevangene te dienen, maar de rit eindigt in Westerbork. De Doetinchemse gevangenen worden daar vrijwel zeker grotendeels afgezonderd van de rest, wat kan verklaren waarom hun namen niet in het kamparchief voorkomen. Al beschrijft Jacoba van der Kun wel dat ze in de batterij-afdeling heeft gewerkt en hoe zij en tientallen andere vrouwen vlak voor de bevrijding onder begeleiding van de Wehrmacht uit Westerbork worden geëvacueerd. Wat Coslett in het kamp heeft gedaan is niet bekend.

Op 12 april bevrijden de Canadezen Westerbork. Volgens zijn Escape and Evasion report sluit Franklin Coslett zich een dag later in Assen aan bij de geallieerde strijdkrachten. Op 1 juli meldt de tot Captain gepromoveerde Coslett zich in Wassenaar bij het Holland Office van de 6801 MIS-X Detachment Military Inteligence Service van de United States Army. Hij krijgt de leiding over het bureau, dat moet nagaan welke Nederlanders Britse en Amerikaanse vliegeniers hebben geholpen onder te duiken. Het doel is hen hiervoor te onderscheiden en te bedanken en waar nodig materieel en financieel te helpen. Het Holland Office verzamelt in een klein jaar tijd informatie over 12.000 pilotenhelpers. Van hen krijgen er acht een gouden Medal of Freedom, de meesten ontvangen een certificaat of brief. Ook schenkt het Office kleding, voedsel en 150 fietsen.

Franklin D. Coslett.

Voor zijn onderzoek verblijft Coslett enige tijd in Zwolle. Van daaruit gaat hij alle adressen langs waar hij ondergedoken heeft gezeten. Tevergeefs zoekt hij naar Czesław Oberdak. Wel krijgt hij het verhaal bevestigd dat Bill Moore, de Captain van zijn B-24, op 2 december 1944 in Apeldoorn door de SD is geëxecuteerd.

Op 25 april 1946 wordt Coslett teruggeroepen naar de Verenigde Staten voor een spoedklus van het leger. Als die is afgerond keert hij terug bij WBRE-TV in Pennsylvania. Hij gaat aan de slag als radiopresentator en groeit uit tot ‘anchorman’ van het tv-nieuws, dat hij steevast afsluit met ‘That’s it, that’s the news’. In mei 1980 gaat hij met pensioen.
Franklin D. Coslett overlijdt op 13 februari 1992 in Wilkes Barre aan de gevolgen van een jarenlange nierziekte. Hij wordt 76 jaar.