Gert Laske

De initiatiefneemster van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Manja Pach, schreef een portret over de Duits-Joodse Gert Laske wiens leven voor en tijdens de oorlog grote parallellen vertoonde met dat van haar eigen vader, voormalig kampgevangene Werner Stertzenbach.

Gert Laske.

Gert Laske

‘Ik heb me nooit iets gevoeld:
niet Joods, niet Duitser
alleen maar mens.’

Gert Laske werd op 31 januari 1921 in Berlijn geboren. De familie Laske leefde in het noordoostelijk deel van Berlijn, dat bekend stond als één van rode buurten, een plek waar de communisten veel aanhang hadden. De ouders van Gert kwamen uit het oosten van Duitsland, het gebied dat na de Eerste Wereldoorlog in 1919 was overgedragen aan Polen. Zijn vader werkte als inkoper bij een groot bedrijf voor tram- en spoorwegmateriaal. Hij was soldaat geweest in de Eerste Wereldoorlog en was, zoals zoveel Joden, trots op zijn IJzeren Kruis (tweede klas). Hij was actief in de Reichsbund Jüdischer Frontsoldaten, een veteranenorganisatie, en zeer nationalistisch ingesteld. Een middenstandsgezin noemde Gert het later zelf.

In het Duitsland van de Weimar Republiek werd Gert Laske eigenlijk steeds met zijn Joodse afkomst geconfronteerd. Hij herinnerde zich later het scheldwoord ‘Matzefresser’ goed, dat op een dag aan de muur van zijn Joodse kleuterschool was gekalkt. Laske ging na de basisschool naar de Realschule.
Gert had geen uitgesproken Joods uiterlijk (hij was blond); daardoor ondervond hij minder last dan anderen van het duidelijk aanwezige antisemitisme. Op school werd hij ‘de vlo’ genoemd, een bijnaam die zijn leven lang bij hem zou blijven. Al jong werd hij lid van de sociaaldemocratische jeugdbeweging.

1933-1939. De eerste jaren van het Hitlerbewind
Na de machtsovername van Hitler op 30 januari 1933 zocht Laske toenadering tot de communisten. Hij was ervan overtuigd dat alleen van die kant echt verzet tegen de nazi’s was te verwachten.
Gerts vader ging er van uit dat hem niets zou overkomen, hij was immers een held; als het mogelijk zou zijn geweest dan had hij zich zelfs bij de nazi’s aangesloten. Maar de dagelijkse praktijk was anders: een buurvrouw zei tegen zijn moeder dat zij elkaar niet meer op straat konden groeten – dat zou slecht zijn voor de loopbaan van haar echtgenoot.

Vanaf 1935 mochten Joodse kinderen niet meer op niet-Joodse scholen blijven. Gert Laske moest daardoor op zijn veertiende met school stoppen. Hij volgde een opleiding tot machinebankwerker en kwam in een machinefabriek terecht als leerling-draaier.

In datzelfde jaar werd vader Laske een half jaar gevangen gezet in Buchenwald wegens te grote toenadering tot een ‘Arische’ familie. Toen hij terugkwam was hij als gevolg van de slechte behandeling onherkenbaar veranderd. In 1938 besloot vader Laske te emigreren naar Shanghai; één van de weinige uitwegbestemmingen voor mensen die niet veel geld hadden.

Gert wilde niet mee. Hij was inmiddels lid geworden van de Ringbund Deutsch-Jüdischer Jugend onder leiding van Herbert Baum, dat onderdeel uitmaakte van de Kommunistischer Jugendverband. De communisten stonden op het standpunt dat het belangrijk was in om in de buurt van Duitsland te blijven om, zodra het mogelijk zou zijn, mee te werken aan de opbouw van een democratisch Duitsland. Emigratie naar Shanghai paste daar natuurlijk niet in. Bovendien behoorde Gert tot Ha Sjomer ha Tsair, een links zionistische jeugdgroep. Deze groep had ook contacten met Nederland en bood hem de mogelijkheid naar het Werkdorp Nieuwesluis in de Wieringermeer te gaan.

Gert zou na zijn vertrek zijn moeder niet meer terug zien. Zij overleed in Sjanghai aan kanker. Zijn vader keerde na de oorlog terug naar Europa. Eerst naar Amsterdam, maar toen hij daar niet kon aarden, naar Berlijn waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht. De zuster van Gert werd met man en baby in Treblinka omgebracht. Hun dood zou een blijvende wond bij Gert achterlaten.

Zijn verhaal is even sober als dat van de andere Joden, die overleefden. ‘Je mag van ons geen helden maken. Ik ben nooit een grote held geweest. Je eerste taak was zelf overleven. Eerlijk gezegd, ik heb meestal aan mezelf gedacht.

Emigratie naar Nederland – het Werkdorp in de Wieringermeer
De plek in het Joodse Werkdorp Nieuwesluis bood Gert Laske de mogelijkheid om per trein vanuit Berlijn legaal naar Nederland te reizen. Het Werkdorp was in 1934 in de Wieringermeer, bij het dorp Nieuwesluis, opgericht. Het dorp kreeg de status van hachsjara-instelling, waarmee de leerlingen de mogelijkheid werd geboden na hun opleiding naar Palestina te emigreren.

Gert arriveerde in de eerste week van januari 1939 in Nederland, nog net geen 18 jaar oud. Tot na de opheffing van het Werkdorp zou hij daar blijven. Zijn herinneringen aan die tijd waren goed. Hij leerde er landbouwwerkzaamheden te verrichten, iets wat hem – naar hij zelf zei – in de oorlog het leven redde. Gert vond het leven tussen gelijkgezinde, jonge mensen aangenaam en hij maakte er vrienden. In het Werkdorp kon hij sport beoefenen, er waren concerten (onder andere Jo Juda trad er op) en het belangrijkste, men was er vrij. Politieke activiteiten waren niet toegestaan, maar daar had hij wel begrip voor.

Op vrije dagen reisde Gert Laske naar Amsterdam en bezocht daar het tehuis aan het Oosteinde, een opvanghuis voor Duitse en Poolse emigranten (Passage naar vrijheid, Joods verzet in Nederland, 1940-1945, 1987). Gert kon natuurlijk niet door zijn familie worden onderhouden, die was immers naar Shanghai uitgeweken. Via het Joodse Vluchtelingencomité kreeg hij veertien cent zakgeld per week, een bedrag dat soms werd aangevuld door een oom (een broer van zijn vader).

Het Werkdorp werd in maart 1941 op last van de bezetter ontruimd. De meeste bewoners werden naar Amsterdam gebracht en daar vrijgelaten. Kort daarop werden vrijwel allen tijdens een grote razzia op 11 juni 1941 opgepakt en naar Mauthausen gedeporteerd. Andere oud-Werkdorpers doken onder en namen later deel aan de verzetsactiviteiten van de zogenaamde Westerweel-groep. Ook bij het verzetswerk van de groep Van Dien (Huis Oosteinde) in kamp Westerbork was een aantal oud-Werkdorpers betrokken.

Gert Laske vertelde later dat er uit Mauthausen enkele brieven arriveerden, onder andere van ‘Bolero’ Littmann, die samen met zijn broer ‘Tango’ was gearresteerd. In de verschillende brieven werd om hulp gevraagd: ‘Help ons, help ons, we gaan dood… .’ De voorzitters van de Joodse Raad in Amsterdam, professor Cohen en Abraham Asscher werd later verweten dat zij na de razzia van 11 juni 1941 niet hadden ingezien dat de door hen geleide Joodse Raad slechts een werktuig in Duitse handen was om de Joden in het verderf te storten. (H.B.J.Stegeman en J.P.Vorsteveld, Het Joodse werkdorp in de Wieringermeer 1934-1941, 124)

Na de sluiting van het Werkdorp in 1941 bleef een groep van 60 Joodse arbeiders achter om voor het onderhoud van het dorp, de dieren en het land te zorgen en maatregelen te nemen voor de definitieve liquidatie. Gert behoorde tot deze groep. Na de definitieve sluiting in augustus 1941, werkte Gert Laske nog bij verschillende boeren (Sicco Mansholt) in de omgeving totdat besloten werd de hele provincie Noord-Holland “Judenrein” te maken. Hij zag vervolgend nog kans enige tijd in Zelhem bij een boer werk te vinden en vertrok tenslotte naar Amsterdam. Daar werd hij gearresteerd en vervolgens op de trein naar Westerbork gezet.

Westerbork
Op 27 mei 1943 arriveerde Gert Laske in Westerbork.
Hij had geluk, boerenarbeiders waren schaars en hij kon gaan werken op een boerderij buiten het kamp. Het lukte hem om steeds buiten het kamp te zijn als er deportaties waren. Ook werd hij ingeschakeld bij enkele ontvluchtingen. Werner Stertzenbach, mijn vader en zelf ook een oud-Werkdorper, stond in contact met de groep Van Dien in Amsterdam. Alice Heymann (de latere echtgenote van Werner), die plaatsvervangend directeur was van het Huis Oosteinde, was daarin een belangrijke schakel. De mensen van die verzetsgroep hadden zich niet bij hun deportatie neergelegd, vormden groepjes, discussieerden, doken in het kamp onder, vervaardigden valse papieren, maakten ontsnappingsplannen en smokkelden ook anderen er uit. Gert zegt over zijn hulp bij de ontvluchtingen: ‘als het mij gevraagd werd, hielp ik me.’
Zijn verhaal is even sober als dat van de andere Joden, die overleefden. ‘Je mag van ons geen helden maken. Ik ben nooit een grote held geweest. Je eerste taak was zelf overleven. Eerlijk gezegd, ik heb meestal aan mezelf gedacht.’ (Ben Braber, De Groep Van Dien, 119-120)

Na de bevrijding
Gert Laske was één van de ruim 850 Joden die in Westerbork waren op het moment van de bevrijding door de Canadezen. De niet-Nederlandse Joden moesten een maand langer blijven.
Het was wel een mooie tijd, zo zei Gert later. ‘Ik had een groep NSB-boeren onder mij. Als we op weg waren naar het werk op het land, moesten we langs het crematorium. Daar liet ik ze dan hun pet afnemen, ter nagedachtenis aan de gefusilleerde Nederlandse verzetsmensen die daar in sept.1943 heimelijk gecremeerd waren. Ik heb geen aanleg voor rancune, maar dat vond ik wel een mooi gebaar.’ (CD 0253, ‘Interview met Gert Laske’, archief Herinneringscentrum Kamp Westerbork)

Hoewel hij aanvankelijk wel de gedachte koesterde om terug te gaan naar Duitsland om mee te helpen een democratisch land op te bouwen, besloot Gert in 1945 in Nederland te blijven. De houding van die Duitsers die tot het laatst aan toe hadden meegewerkt aan de nazi-praktijken had hem tot dat besluit gebracht.

De eerste periode na de bevrijding kon Gert bij zijn oom en tante terecht. Hij vond een baantje bij de Joodse bakker Pool waar hij brood voor rond ging brengen. Maar al snel kwamen er klachten: de overlevenden wilden geen ‘mof’ aan de deur. De klanten vonden zijn Duitse accent onaangenaam. Gert was er mild over. ‘Ik begreep het wel. Er is een oud grapje: “Een emigrant raakt alles kwijt behalve zijn accent.’ (CD 0253, ‘Interview met Gert Laske’, archief Herinneringscentrum Kamp Westerbork) Later kon Gerd nog korte tijd aan het werk bij de matzesfabriek Vaz Dias. Er waren echter te weinig klanten meer over om die fabriek te laten voortbestaan.

Nadat hij zijn vrouw Lilo Scholle had leren kennen, ging Gert aan de slag bij de bontververij van zijn schoonvader. Nadat deze in mei 1949 op 45-jarige leeftijd geheel onverwachts een hartstilstand te verduren kreeg, zetten Gert (alhoewel hij zich daar nog niet klaar voor voelde) en zijn vrouw het bedrijf voort tot in 1981. Het waren moeilijke jaren. Door de gewijzigde opvattingen in de samenleving over het gebruik van bont, moest het bedrijf stoppen. Het echtpaar Laske kreeg drie kinderen. Gert was blij en tevreden in Nederland en had naar eigen zeggen nergens anders willen leven. (CD 0253, ‘Interview met Gert Laske’, archief Herinneringscentrum Kamp Westerbork)

Op 12 en 13 september 1981 vond in het vroegere gemeenschapshuis van het Werkdorp Nieuwesluis een reünie van voormalige bewoners plaats. De overlevenden kwamen uit alle delen van de wereld naar Noord-Holland terug. Het was na veertig jaar voor velen een emotioneel weerzien.
Gert Laske sprak namens allen toen hij het einde van zijn toespraak zei:
‘Fascisme is geen ding op zichzelf, het is een eigenschap. Alles wat is geweest, kan morgen weer realiteit zijn. (….) En dat zal alleen maar zijn omdat we niet in staat zijn om af te remmen als dat nodig is. We hebben een les geleerd. Het verzet moet beginnen voor het te laat is. Want één ding willen we allemaal: overleven, vreedzaam overleven.’ (Werner Stertzenbach, ‘Boekbespreking van Het Joodse werkdorp in de Wieringermeer 1934-1941’, in: Nieuw Israëlisch Weekblad, 21 oktober 1983)

Gert Laske overleed op 15 juli 1995.