Gertrud Deutsch-Meijer

Scholiere Tess Raaman schreef een portret over Gertrud Deutsch-Meijer die in september 1944 in kamp Westerbork terecht kwam. Tess werd geraakt door het verhaal van Gertrud. ‘Tijdens het schrijven van dit portret ben ik er achter gekomen hoe de gevangenen in kamp Westerbork hebben geleefd. We zijn allemaal mensen en daarom verdienen wij het stuk voor stuk om als een mens behandeld te worden. Alle levens hebben waarde.’

Kamp Westerbork 1944. Linksachter barak 51.

Gertrud Deutsch-Meijer

Kleine ervaring vanuit mijzelf
Toen ik met mijn ouders kamp Westerbork binnen liep, kon ik mij ineens pijnlijk goed voorstellen wat voor onmenselijke dingen hier zijn gebeurd. Het enige wat ik steeds dacht was: ‘Hoe hebben we het zo ver kunnen laten komen?’ Het uitzichtloze bestaan wat de mensen hier hebben gehad is voor mij niet te bevatten…

Niemand verdient wat deze mensen hier hebben doorgemaakt. Daarom vind ik het zo ontzettend belangrijk dat we het er over blijven hebben, want zoiets als dit mag nooit vergeten worden.

Gertrud Deutsch-Meijer
Het eerste wat mij opviel toen ik in de gevangenis van het kamp arriveerde was de stank. De ijzige vieze stank die de mensenlichamen met zich meenamen, starend naar de hoeveelheid modder op de lijven, kon je enigszins achterhalen wie de nieuwkomers waren en wie het meest ervaren waren.

Barak 51 was de naam die de gevangenis had gekregen. Ik wist dat de luizen en insecten hun huis hadden gevonden in dit gebouw. Niemand die hier zat wist hoe de dag van morgen eruit zou gaan zien… wat een gruwelijke werkelijkheid.

Ik ben geboren op 20 Januari 1908. Mijn naam is Gertrud Deutsch-Meijer. Ik kwam naar Westerbork in 1944. Tijdens de oorlog was ik secretaresse voor de Joodse Raad, in dat opzicht viel er vrij weinig te klagen. In Roemenië had ik met mijn man Andrei (1903) gewoond, nu echter, was ik gescheiden en alleen.

Barak 51 was een vierkant stenen gebouwtje. In de barak lagen vele strozakken. Er zaten geen ramen in dit kampgebouw, slechts een gat in de muur die voor ‘daglicht’ moest zorgen. Ondragelijk in de snijdende winterkou.

De cellen waren voor mijn gevoel ongeveer twee bij twee. In de dagen die volgden ben ik één keer in staat geweest mijn behoefte te doen. In de cel was geen toilet aanwezig. Ik urineerde in een klomp en gooide vervolgens alles door de tralies naar buiten.

Er was één iemand voor onze verzorging verantwoordelijk, Lemke, een Duitse bewaker. Tijdens de verhoren die volgden is één van ons door hem mishandeld en verminkt. Hoe vaak ik het ook probeerde, ik durfde Lemke nooit langer dan twee seconden aan te kijken.

Nee natuurlijk niet. Dit alles had ons niets meer dan vernieling en ellende gebracht.

In de cel waarin we waren opgesloten was geen kachel of andere warmtebron aanwezig. We kregen per dag ieder een stuk brood waaruit vier dunne sneetjes konden worden gesneden, plus een minimale hoeveelheid drinkwater. We droegen allemaal een overal. Dekens ontbraken. Ik bibberde mijzelf iedere nacht in slaap.

Eén keer is het voorgekomen dat Lemke ons 24 uur niets kwam brengen. En het is gebeurd dat hij ons zelfs 72 uur geen drinken bracht. Wij werden toen verder niet naar buiten gebracht of gelucht. De cel uitkomen was als een totaal vergeten droom.

Maandag 15 november 1944
Ik had een gesprek met een mevrouw die gebukt zat achter de tralies in de gevangenis. Ik vroeg haar hoe ze hier verzeilt was geraakt.

‘Ik ben een Arische, mijn man is een dokter en hij is half-Joods en zit nu in kamp Vught. Mijn zoon is bij de arbeidsdienst geweest en heeft zich in een brief aan mijn man onvriendelijk over de nazi’s uitgelaten. Uit rancune heeft men mij met mijn gezin hierheen gebracht. Een officier heeft bij aankomst tegen mij gezegd: “Uw man ziet er extreem Joods uit!” Waarop ik zei: “U bent zeker meer een Jood dan hij!” Toen kreeg ik een stomp van hem in mijn maag waarop ik zei: “Je bent een held; ik zou teruggaan naar het Oostfront.” Dus daarom zit ik hier nu in deze hel, mij krijgen ze er niet zo snel onder…’

Na de bevrijding, juni 1945
Tijdens mijn laatste dagen in kamp Westerbork besefte ik me dat ik hier niet zo lang heb gezeten als de rest van de gevangenen. Ik kon mij zo goed voorstellen hoe hun laatste dagen hier zijn geweest… Walgelijke oorlog…
En waar had het uiteindelijk allemaal voor gediend?
Een machtig Duitsland?
Een groot machtig rijk?

Nee natuurlijk niet. Dit alles had ons niets meer dan vernieling en ellende gebracht.

Van september 1944 tot en met de bevrijding ben ik uiteindelijk in kamp Westerbork geweest. Naar aanleiding van het vluchten van twee gevangenen uit onze barak, werd ik met zeven andere gevangenen naar de gevangenis gebracht, als represaillemaatregel.

Eind juni 1945 werd ik vrijgelaten, en kon mijn innerlijke bevrijding pas echt beginnen.