Habib & Robert Malalel

Habib en Robert Malalel waren de enige Turkse Joden die op 12 april 1945 in kamp Westerbork werden bevrijd. In februari van dat jaar waren zij via het Oranjehotel in Westerbork terechtgekomen.

Een vertrekkend transport uit kamp Westerbork.

Habib & Robert Malalel

De kans gedurende de Tweede Wereldoorlog voor langere tijd in kamp Westerbork te kunnen blijven beruste niet op louter toeval of geluk. In de nazomer van 1942 werd in Westerbork de zogenoemde Antragstelle opgericht. Een team van Joodse advocaten en juridische medewerkers – zelf gevangenen – onderzocht de mogelijkheid om personen op basis van door de nazi’s goedgekeurde lijsten voorlopig van transport te vrijwaren. Vooroorlogs lidmaatschap van een Protestante kerkgemeente of een status als “gemengd-gehuwde”, konden in het verloop van de oorlog zo het verschil betekenen tussen leven en dood.

Een groep gevangenen met een dergelijke sterke Sperre waren Joden met een (bepaalde) buitenlandse nationaliteit. Aan bevriende naties als Hongarije werd door Hitler bijvoorbeeld de mogelijkheid geboden zelf over hun eigen onderdanen te beslissen. Britse of Amerikaanse Joden, zo redeneerden de nazi’s, konden daarnaast geruild worden tegen gevangengenomen militairen.

Een derde groep gevangenen die op die basis voorlopig van deportatie waren vrijgesteld, waren Joden afkomstig uit neutrale landen als Zweden en Turkije. Tijdens de oorlog zaten ruim honderd personen uit het Ottomaanse rijk in kamp Westerbork gevangen. Zij hoefden zich tot 1 januari 1943 niet in Westerbork te melden, daarna mochten zij die konden bewijzen daadwerkelijk uit Turkije te komen, daar tot nader order verblijven. ‘Een kleine kolonie Turken, ouders met kinderen, is vlak bij mijn bed neergestreken: zij huizen de gehele dag om het kacheltje, dat zij door hun veelheid als het ware monopoliseren, en bemoeien zich vlijtig met het kookgerei van anderen, verschrikkelijk vriendelijk en hulpvaardig. De kinderen kwetteren Spaans en Nederlands door elkaar, levendige rappe kinderen, vlug als water’, aldus kampgevangene Philip Mechanicus op 8 november 1943 in zijn dagboek.

Tot de kleine gemeenschap van in Nederland levende Turkse Joden behoorde de familie Malalel. Habib Malalel werd in 1892 in Constantinopel geboren maar was sinds 1914 in Nederland woonachtig. Op 18 augustus 1920 trouwde hij in in zijn woonplaats Den Haag met Mietje Norden (1892), dochter van Jacob Norden en Rebecca Croiset. Het stel kreeg twee kinderen: Robert (1923) en Rosette (1928).

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Habib Malalel handelaar in Perzische tapijten. Een winkel aan het Bezijdenhout in Den Haag was in 1935 failliet verklaard, een nieuwe zaak aan de Weissenbruchstraat kort daarop geopend. ‘Onze goede vriend, de Turk Habibe Malalel, zit in de Turksche klederdracht uit den voor-Kemalistischen tijd en weeft kleederen. Er hangen in deze exotischen stand prachtige Perzen en Bokhara’s’, zo stelde een krant in deze jaren.

‘Onze goede vriend, de Turk Habibe Malalel, zit in de Turksche klederdracht uit den voor-Kemalistischen tijd en weeft kleederen. Er hangen in deze exotischen stand prachtige Perzen en Bokhara’s’, zo stelde een krant in deze jaren.

In 1942 moest Habib zijn winkel als onderdeel van de anti-Joodse maatregelen aan de Duitse bezetter overdragen. De familie besloot vervolgens onder te duiken. In de buurt van Den Haag werden twee adressen gevonden. Moeder Mietje en Rosette kwamen op het ene adres terecht; Ronnie, zoals Robert in het dagelijks leven genoemd werd, en vader Habib op het andere.

In juni 1944 werden Mietje en Rosette opgepakt en via het Oranjehotel naar kamp Westerbork overgebracht. Tijdens een verhoor hield moeder Mietje vol Turks staatsburger te zijn. Het hield haar en haar dochter uit de transporten die in de maanden die volgden naar Auschwitz vertrokken. Op 13 september 1944 werden beiden alsnog met onder andere 44 andere Turkse staatsburgers naar Bergen-Belsen weggevoerd. Ze kwamen terecht in een relatief goed deel van het kamp waar weinig mishandelingen plaatsvonden en het voedsel beter was.

Op 4 maart 1945 werd een groep van 105 Turkse Joden, waaronder Mietje en Rosette Malalel, met een schip naar Constantinopel gebracht waar ze uitgeruild werden tegen Duitse staatsburgers.

Vader Habib en zoon Ronnie zaten op dat moment al in kamp Westerbork gevangen. Ook zij waren verraden, naar de Scheveningse gevangenis gebracht en op 5 februari 1945 naar Westerbork gestuurd. Hier zag Habib een deel van zijn schoonfamilie terug, de gezinnen Norden en Bino, eveneens pas in het kamp gearriveerd.

Enkele maanden na de bevrijding mochten Habib en Ronny Malalel kamp Westerbork verlaten. Eind 1945 werden ze herenigd met Mietje en Rosette, gezond en wel gerepatrieerd uit Turkije.

Habib Malalel overleed in 1958 op 65-jarige leeftijd. Zijn vrouw Mietje op 9 juli 1985 in de leeftijd van 93.

Robert Malalel nam na de dood van zijn vader de familiezaak over. Hij zat daarnaast onder andere lange tijd in het bestuur van de Portugees-Joodse gemeente van Den Haag. In april 2015 was hij, 91 jaar oud en gezegend met een goed verstand, net als zus Rosette nog altijd in leven.