Harry & Rucla Noach

Shirly Launer en Era Dorfman schreven in 2013 een boek over hun vader Harry Noach die in april 1945 in kamp Westerbork met zijn toenmalige vrouw Rucla bevrijd werd. Het onderzoek voor dit portret werd mede uitgevoerd door Jeremy en Dion van de Ubbo Emmius Scholengemeenschap in Stadskanaal.

De ordedienst in kamp Westerbork.

Harry & Rucla Noach

‘Onze vader werd op 26 december 1920 geboren in Amsterdam als oudste zoon van Isaak Noach (1883) en zijn tweede vrouw Carolina Slager (1889). Isaak en Carolina hadden een slagerij in the Van Woustraat in Amsterdam, alhoewel grootvader oorspronkelijk afkomstig was uit Deventer. Twee jaar na zijn geboorte kreeg onze vader nog een zusje: Elizabeth (1922) of Lies, zoals ze door de meeste mensen genoemd werd.

Voetbal en atletiek waren de twee grote liefdes van onze vader. In zijn jeugd liep hij 400- en 800-meter wedstrijden en was hij lid van de bekende Maccabi sportvereniging in Amsterdam. School behoorde niet tot zijn hobby’s alhoewel hij aardig kon leren. Na de middelbare school doorliep hij de – nog steeds bestaande – Schroevers administratie school. Zijn eerste betrekking kreeg hij in 1937, bij de firma Lehmann & Co op de Voorburgwal.

Op 10 mei 1940 was onze vader twintig jaar oud toen de Duitsers Nederland binnenvielen. In maart 1942 kreeg hij net als vele andere jongemannen de oproep om aan het werk te gaan in speciale werkkampen. Vader kwam terecht in Drenthe, in het werkkamp Diever A. Hier is hij ongeveer vier maanden geweest.

Op 18 juli 1942 werd vader overgebracht naar kamp Westerbork. Hij behoorde tot de eerste Nederlandse Joden die in het kamp aankwamen. Wellicht door zijn jonge leeftijd en uitmuntende kennis van de Duitse taal, wist vader een baantje te verkrijgen bij de Ordedienst, de Joodse politie van het kamp. Dit heeft zijn leven gered in Westerbork. Het moet een vreselijke tijd voor onze vader zijn geweest. Meer en meer van zijn familieleden werden naar het kamp gebracht en vandaar uit weggevoerd. Hij heeft ze niet kunnen redden…

In het kamp werd vader verliefd op Rucla Mittman, een jonge vrouw die met haar ouders, twee kleine broertjes en zusje in augustus 1942 naar Westerbork kwam. Uit liefde voor Rucla en in een poging haar leven te redden, is vader met haar in maart 1943 getrouwd. Hierdoor was zij door zijn baan bij de OD ook voorlopig van transport gevrijwaard. Rucla’s familie overleefde de oorlog niet, zij werden in augustus 1943 naar Auschwitz gedeporteerd.

Twee maanden na de bevrijding van het kamp, begin juni 1945, mochten vader en Rucla het kamp verlaten. Korte tijd later kwam het tot een scheiding: Rucla had onze vader niet meer nodig om de oorlog te overleven… Vader vertrok naar Amsterdam. In de zomer van 1945 keerde zijn moeder Carolina uit Theresienstadt terug. Onze grootvader Isaak bleek de oorlog niet overleefd te hebben.

In het kamp werd vader verliefd op Rucla Mittman, een jonge vrouw die met haar ouders, twee kleine broertjes en zusje in augustus 1942 naar Westerbork kwam. Uit liefde voor Rucla en in een poging haar leven te redden, is vader met haar in maart 1943 getrouwd. Hierdoor was zij door zijn baan bij de OD ook voorlopig van transport gevrijwaard.

Onze vader was vierentwintig en probeerde zijn leven weer op te pakken. Eén van zijn voornemens was om de Maccabi sportvereniging nieuw leven in te blazen, wat lukte. In deze periode kreeg hij ook een sterke interesse in het zionisme. Hij wilde bewijzen dat het Joodse leven in Nederland niet geheel verdwenen was.

Zijn zionistische gevoelens leidden hem in 1948 naar Israël. Eind juni 1948 vertrok hij in een klein schip vanuit Marseille naar de net opgerichte Joodse staat. Hij vestigde zich in de kibboets Sde-Eliyahu in de Beit-She’an vallei. Hij ontmoette er zijn tweede vrouw, Sally Wikler. In februari 1950 trouwde het stel. Tijdens de verlate huwelijksreis in 1953 kreeg Sally een hevige astmatische aanval. Ze overleed vrijwel ter plekke.

Onze vader had zich inmiddels in Tel Aviv gevestigd waar hij bij een bank werkte. Na het overlijden van Sally kreeg hij er contact met onze moeder Ziva Weisbord (1929). Uit deze vriendschap ontstond een relatie en, in 1955, een huwelijk.

In september 1981 kreeg onze vader een hartaanval. Hij overleed, pas zestig jaar oud. Terugkijkend is hij geestelijk redelijk goed uit de oorlog gekomen. Hij was niet-religieus, maar niet anti-religieus. Hij was liberaal en stond open voor andere mensen uit andere culturen. Hij had maar één bijzondere regel: er mocht nooit iets uit Duitsland in ons huis aanwezig zijn. Geen apparatuur, helemaal niets. Indien mogelijk moest alles Nederlands zijn. Dat is wat hij overgehouden had aan zijn tijd in kamp Westerbork.’