Henri & Rosina Vles

Henri Vles (1916) wist dankzij zijn werk op de Antragstelle kamp Westerbork te overleven. Hij trouwde in het kamp met de eveneens uit Rotterdam afkomstige Rosina Polak (1919). In mei 1945 werd dochter Reneé in Westerbork geboren.

Een trouwkaart voor Hans Ottenstein, de leider van de Antragstelle, waarop alle medewerkers staan afgebeeld. Zesde van links met bril Henri Vles.

Henri & Rosina Vles

Begin oktober 1942 kwam jurist Henri Vles vanuit Rotterdam aan in kamp Westerbork. Als beroep op zijn registratiekaart bij de Joodse Raad stond metaalbewerker, bij de gemeente stond hij ingeschreven als assistent bij een metaalmaatschappij. Op 12 oktober 1942 stond hij voor de eerste keer op de transportlijst naar Auschwitz. Maar Henri had een baantje weten te krijgen en kon daarom blijven.
Rosina Polak werkte sinds juli 1942 als secretaresse voor de Joodse Raad in Rotterdam en kwam ook begin oktober 1942, samen met haar ouders, naar kamp Westerbork. Zij stond op de transportlijst naar Auschwitz op 2 november 1942, maar bleef. Het huwelijk met Henri Vles werd op 23 januari 1943 officieel afgekondigd en op 30 april 1943 in het kamp voltrokken.

‘De Antragstelle was eigenlijk de advocatenafdeling. Het waren niet echt allemaal advocaten, ik ook niet, maar de meesten hadden wel een dergelijke achtergrond. Ik was jurist, pas afgestudeerd. We hadden de taak om gevangenen, die meenden een reden te hebben om teruggesteld te worden, om die te helpen een “Sperre” te krijgen. Uit de informatie die zij ons aanleverden, stelden wij een verzoekschrift samen en legden dat aan de commandant voor. Ik werkte op het ressort dat kerkgenootschap en afstamming onderzocht. “Blut und Boden” noemden wij dat spottend.

Als er een transport met nieuwe gevangenen binnenkwam dan werden deze mensen eerst langs ons gestuurd. Wij zaten dan klaar om ze te helpen. We werkten nauw samen met de Joodse Raad in Amsterdam. Aan de afdeling Rechtspositie daar gaven wij allerlei opdrachten. Wij vroegen hun bijvoorbeeld om op zoek te gaan naar niet-Joden die dezelfde achternaam bezaten als gevangenen in het kamp. Door die niet-Joden een familieverklaring te laten tekenen, konden wij mensen in Westerbork “ariseren” en voor transport behoeden.

Steeds werden we er vanaf gehaald door onze collega’s. Dat is misschien wel egoïstisch, want in onze plaats gingen anderen met de trein mee. Maar het was jij of ik. Zo leefde je in Westerbork. Het streefgetal moest altijd weer gehaald worden.

Het werk bij de Antragstelle heeft mijn leven en dat van mijn latere vrouw gered – zij was secretaresse bij de Antragstelle. Zij heeft denk ik wel zestien keer op de transportlijst gestaan, ik een keer of twaalf. Steeds werden we er vanaf gehaald door onze collega’s. Dat is misschien wel egoïstisch, want in onze plaats gingen anderen met de trein mee. Maar het was jij of ik. Zo leefde je in Westerbork. Het streefgetal moest altijd weer gehaald worden.

Mijn vrouw en ik zijn in het kamp getrouwd. Het was eigenlijk een gedwongen huwelijk. Bromet, een belangrijke man op de registratie, kwam naar mij toe en zei: “je moet trouwen om je “Sperre” veilig te stellen”. Dat hebben we toen maar gedaan, gewoon op het kantoor van de Antragstelle. In mei 1945 is in het kamp onze dochter geboren. Ondanks dat het huwelijk gedwongen was, was het wel echte liefde tussen ons.’