Henriëtte & David Rosenberg

Na vele onderduikadressen kwamen Henriëtte en David Rosenberg in maart 1945 alsnog in kamp Westerbork terecht. Kort na de bevrijding keerden David en zijn moeder terug naar hun woning aan de Brinkstraat in Beilen.

David en zijn moeder Henriëtte en hun familie in het begin van de jaren dertig.

Henriëtte en David Rosenberg

Aan de Brinkstraat 26 in Beilen woonde bij het begin van de Tweede Wereldoorlog een Joodse familie, bestaande uit oma Froukje Denneboom-Frank (1863), haar dochter Henriëtte Rosenberg-Denneboom (1895) en haar kleinzoon David Rosenberg (1925). Henriëtte’s man David was al voor de geboorte van zijn zoon overleden. Oma Froukje was in Veendam geboren, maar na haar huwelijk met Joël Denneboom (1850) naar Beilen verhuisd, alwaar het echtpaar een winkel in manufacturen begon. Froukje en Joël kregen drie dochters: Bertha, Henriëtte en Lize. Toen Froukje en haar man op leeftijd begonnen te komen, nam Henriëtte de zaak over.

In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden een aantal Joodse inwoners uit Beilen naar kamp Westerbork afgevoerd. Hieronder was de 79-jarige, stokdove oma Froukje. Haar man Joël was kort voor de oorlog overleden. Henriëtte werd door de vrouw van chef-veldwachter Viëtor overgehaald om te gaan onderduiken. Ze vluchtte op haar fiets en kwam terecht bij de familie Abbing in Smalbroek.

De synagoge van Beilen.

David was op 7 augustus 1942 ondergedoken bij de familie Staal in Eemster, nabij Dwingeloo. Vanwege ziekte binnen het gezin Staal, moest het verzet in november 1942 een nieuw adres regelen. Dit werd gevonden bij de familie Beekelaar in Klatering, bij Beilen, waar zijn moeder inmiddels ook ondergedoken was. Door ongelukkig toeval werd de verblijfplaats echter bekend en ze kwamen samen op een nieuw adres terecht bij Jan Jonker, aan de Vorrelveense weg in Hijken. Het huis leek bijzonder veilig omdat het midden in het veen stond, volledig geïsoleerd van de buitenwereld. Van alle kanten konden ze eventueel gevaar van verre aan zien komen.

Omdat ook hier op een gegeven moment huiszoekingen dreigden, kregen David en zijn moeder een nieuw schuiladres bij de gebroeders De Jong aan het Oranjekanaal. Zij waren zwagers van Jan Jonker. Hun schuilplaats was een gat in de hooiberg, welke afgesloten werd met een pak hooi. Ze zaten daar samen met nog twee andere Joden.

Op 7 maart 1945 stonden er plotseling twee Duitse soldaten met hun honden voor de hooiberg. Ze waren verraden. David en zijn moeder werden via de gevangenis in Assen naar kamp Westerbork overgebracht. Hier kwamen ze Lize en Herman tegen, de zus en zwager van Henriëtte. David en Henriëtte werden geregistreerd als strafgevangenen, aangezien ze waren ondergedoken. Dankzij de contacten van Herman, die de leider van de Ordedienst kende, wist David een “goed baantje” in de buitendienst te krijgen, waar hij samen met elf andere mannen te werk werd gesteld. Over het leven in de woonbarakken zei David na de oorlog: ‘Ik werd naar één van de grote barakken, nummer 83, gebracht en kreeg een ijzeren krib toegewezen met een smerige paardendeken.’

Ik werd naar één van de grote barakken, nummer 83, gebracht en kreeg een ijzeren krib toegewezen met een smerige paardendeken.

Toen de geruchten over een op handen zijnde bevrijding de ronde deden in het kamp werd David getroffen door een bloedvergiftiging. Met een brancard werd hij naar het ziekenhuis overgebracht waar hij zou worden geopereerd. ‘Toen ik bijkwam lag in een vrolijk zaaltje in een kraakhelder bed, een verademing na die vieze barak.’ Terwijl hij in het ziekenhuis lag werd Westerbork op 12 april 1945 door de Canadezen bevrijd. De Canadese soldaten sloten het kamp totdat ze op de hoogte waren van de identiteit van alle kampgevangenen. David besloot dit niet af te wachten en ontsnapte op de laatste zondag van april. Via Zwiggelte en Klatering keerde hij terug in het huis aan de Brinkstraat in Beilen. Zijn moeder Henriëtte volgde korte tijd later.

Na de bevrijding werkte David enige tijd als tolk voor de Canadezen. Hij trouwde met Lidy Meijer die de oorlog in de onderduik had overleefd. In 1989 getuigde David in Vancouver tegen de beruchte landwachter Jacob Luitjens, die hij in de gevangenis in Assen hardhandig had leren kennen. Zijn moeder Henriëtte was op dat moment al overleden. Zij stierf op 30 juni 1987, op 92-jarige leeftijd in haar woonplaats Beilen.