Henriëtte Hagenaar

Oud-geschiedenisleraar Hans Piek schreef een portret over Henriëtte Hagenaar die samen met haar toenmalige man Meijer Elsas in maart 1945 in kamp Westerbork terechtkwam.

Binnenkomend transport in kamp Westerbork.

Henriëtte Hagenaar

Henriëtte, die Jet werd genoemd, heeft de laatste maand van kamp Westerbork meegemaakt. Haar toenmalige echtgenoot, Meijer Elsas, vertelde later aan zijn kinderen dat het er wel meeviel: ze mochten zich er vrij bewegen, hadden werk. Er was wel weinig te eten, de hongerwinter van 1944-1945 was ook in het kamp merkbaar. Maar wat er aan vooraf ging was evengoed heftig: de spanning vanaf de Duitse inval in 1940, de langzaam in ernst toenemende anti-Joodse maatregelen, de onderduik, het verraad: het bepaalde hun verdere leven na de oorlog.

Henriëtte werd in 1904 geboren in Amsterdam. Ze was de dochter van Samuel Hagenaar en Anna Dikker. Vader Samuel was marktkoopman die zijn handel, fournituren, in Duitsland kocht. Het gezin van Jet bestond uit twee oudere broers en een jongere zus en broer. Ze woonden in de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam. Later verhuisden Samuel en Anna naar de Koestraat, maar waarschijnlijk was Henriëtte toen al het huis uit. Ze werkte bij een babyzaak in de Kalverstraat.

Samuel overleed in 1940 in Amsterdam. De moeder van Jet, Anna, haar broers Philip en Jacob, hun vrouwen en een zoon van Philip werden 1943 in Sobibor of Auschwitz vermoord. Jet heeft in de twintiger jaren Meijer Elsas leren kennen en verloofde zich rond 1924 met hem. Van Meijer zijn in de oorlog de vader, moeder, een broer met echtgenote en twee kinderen, een zus met echtgenoot en hun dochter en de jongste zus vermoord. De lijst met andere vermoorde familie van Meijer is welhaast eindeloos.

Toen in 1926 in Den Haag een nieuw filiaal van de Bijenkorf werd geopend werd Meijer gevraagd om daar chef calculatie te worden en hij verhuisde naar Den Haag. Jet wilde mee maar daar stak haar vader een stokje voor: ‘Eerst trouwen!’, vertelde Meijer later, ook al was Jet inmiddels volwassen. Dat huwelijk vond op 20 januari 1927 plaats in Amsterdam, werd in de sjoel ingezegend en er waren een receptie en een feest. Daarvoor moesten ze wel 300 gulden, voor Meijer toen een maandloon, lenen van Jet’s vader.

Na het feesten gingen ze aan de Lindelaan in Rijswijk wonen. De directeur van de Bijenkorf in Den Haag vroeg Jet om tijdelijk op de babyafdeling te komen werken en dat deed ze. Dat tijdelijke werden uiteindelijk veertien jaar, tot juni 1941.
Nederland was inmiddels bezet en Meijer had al in 1922 gezien welke kant het in Duitsland op ging: hij was in Keulen toen in dat jaar Walther Rathenau, minister van Buitenlandse Zaken, uit een Joodse familie, werd vermoord. Eind 1940 moest de Joodse eigenaar afstand doen van de Bijenkorf en al snel was er voor de Joodse werknemers, van de vijfduizend personeelsleden waren er duizend Joods, geen plaats meer. Meijer vond een baantje als huisknecht; Jet kon als kookster bij dezelfde familie aan de slag.

Maar niet voor lang: al gauw werden Joden verplicht om naar Amsterdam te verhuizen. Daar moesten Jet en Meijer zich melden bij de Joodse Raad en een adres opgeven, maar dat vonden ze te link: de eerste razzia’s hadden al plaats gevonden. Ze kregen onderdak bij de zus van Meijer, Jeanette, die met haar man Nathan Halberstadt en dochter Rosa aan de President Steijnstraat in Amsterdam woonde.

In 1942 werden meerdere familieleden opgepakt en Jet en Meijer kregen het steeds benauwder. Toen ook zus Jeanette een oproep kreeg om zich te melden verhuisden ze naar de Pretoriastraat en kregen daar onderdak, met meerdere mensen, bij Max Hillesum, aangetrouwde familie van Jet. Meerdere keren was het geluk met Jet en Meijer: tijdens diverse razzia’s werden ze net op tijd gewaarschuwd.

Uiteindelijk besloten Jet en Meijer onder te duiken: eerst in Leiden en daarna in Monnickendam waar ze drie maanden zaten. Vervolgens naar Purmerend, waar aan het Oudelandsdijkje, net buiten Purmerend, Willem Muts woonde. Hij gaf niet alleen onderdak aan Henriëtte en Meijer, maar ook aan de zus van Henriëtte, Jeanette, haar man Joseph Parsser en hun dochter Siena. Het huisje was piepklein, maar het leek te gaan lukken.

Toen de Canadezen in aantocht waren werd het prikkeldraad om het kamp stukgetrokken tot onze handen bloedden, we liepen de tanks tegemoet, klommen er op en reden op die tanks het kamp weer binnen.

Maar: toen op 5 september 1944 het er op leek dat de bevrijding nabij was (Brussel en Antwerpen werden achter elkaar bevrijd) en veel bezettende troepen en collaborateurs vluchtten (Dolle Dinsdag) gingen de onderduikers bij Willem Muts de straat op. En dat werd gezien door mensen die een paar huizen verderop woonden. Die, vermoedelijk lid van de NSB, hebben de onderduikers waarschijnlijk verraden.

Een paar maanden later, op zes februari 1945, stonden er acht soldaten met het geweer in de aanslag aan de deur. Joseph Parsser wist nog weg te komen, maar Jet, Meijer, Jeanette en haar dochter Siena werden gepakt. Het transport naar Amsterdam volgde en dat was spannend omdat het verzet twee medeverzetsmensen die ook in de vrachtwagen zaten, wilde bevrijden. Jeanette heeft later verteld dat ze de verzetsmensen bewapend in de berm had zien liggen. Die deden uiteindelijk niets omdat ze inmiddels wisten dat er ook Joden in de vrachtwagen zaten. Zo kwamen ze in Amsterdam aan. Meijer werd in het Huis van Bewaring op de Weteringschans afgeleverd, Jet ging naar de Amstelveenseweg.

In de nacht van 11 op 12 maart werden Meijer en Jet vanuit Amsterdam naar Westerbork gebracht. Daar werden ze op 12 april 1945 bevrijd. Meijer herinnerde zich later deze dag:

‘De Duitsers waren weg, de Jodenster mocht af, er werd gezongen en achtergelaten spullen van de Duitsers, zoals sigaretten en drank, werden ingepikt. Toen de Canadezen in aantocht waren werd het prikkeldraad om het kamp stukgetrokken tot onze handen bloedden, we liepen de tanks tegemoet, klommen er op en reden op die tanks het kamp weer binnen.’

De ex-gevangenen mochten niet meteen weg: West-Nederland was nog niet bevrijd, het vervoer was een chaos en bovendien moest van ieder vastgesteld worden of hij of zij niet gecollaboreerd had. Na een week of zes duurde dat Meijer wel wat lang: met vijftig Hagenaars vroeg hij of ze op eigen risico naar Den Haag mochten om te zien of ze daar terug konden komen. Dat vond de commandant goed en al liftend wist een aantal van hen Den Haag te bereiken. Daar regelden ze de terugkeer.

Aanvankelijk hadden Jet en Meijer geen onderdak, maar via via kregen ze een deel van een groot pand aan de Mient in Den Haag aangeboden tegen een lage huur. Meijer: ‘Een droom, parket, wandbetimmeringen, prachtige schouwen.’ De hoofdbewoonster woonde er alleen, haar man zat gevangen. ‘Ten onrechte’, had ze gezegd.

Toen Jet wat later in de kelder Joodse tinnen wandborden vond en vervolgens een boek met antisemitische inhoud begon haar iets te dagen. En toen de buren vertelden dat zij niet begrepen dat Jet in het huis van een collaborateur wilde wonen was het helemaal duidelijk. Jet en Meijer deden navraag bij een instantie die over inbeslaggenomen goederen ging. Niet lang daarna hoorden ze ’s avonds laat gestommel in het huis: visite met een kinderwagen waarin wat later goederen het huis uit werden gebracht. Diezelfde nacht werden ze wakker met hoofdpijn: het bleek dat alle gaskranen openstonden en dat de hoofdbewoonster verdwenen was… .Ze mochten een deel van de inboedel van het huis kopen, onder andere een dekenkist en veel boeken. Die verkochten ze later als er geld nodig was.

Na de oorlog hield het huwelijk geen stand: in 1947 scheidden Jet en Meijer. Jet overleed elf jaar later in 1962, pas 58 jaar oud.