Hermann & Ina Gurau

Het kleine Utrechtse dorpje Doorn was begin 1941 het onderkomen van 71 Duitse vluchtelingen. Zeventig met een Joodse achtergrond en één van adelijke huize. De gewezen keizer van het grote Duitse Rijk wel te verstaan, Wilhelm II.

Hermann en Ina (r) in kamp Westerbork in 1945. Collectie Joods Historisch Museum.

Hermann & Ina Gurau

Een dag na het uitroepen van de nieuwe Duitse republiek in 1919, stond Wilhelm II op het piepkleine station van het Limburgse Eijsen. De gewezen keizer van het grote Duitse Rijk was niet meer gewenst in eigen land en moest vluchten. Naar Nederland, dat neutraal was gebleven tijdens de Eerste Wereldoorlog en waar een bevriend koningshuis in functie was. En een land dat om de hoek lag; niet onbelangrijk gezien de negenenvijftig treinwagonladingen aan ‘kleinoden’, zoals Wilhelm II het zelf gezegd schijnt te hebben, die hij mee wilde nemen op zijn “vlucht”.

Na een kort verblijf in kasteel Amerongen kwam de vroegere keizer in 1920 aan op Huis Doorn. Wilhelm liet het huis aanpassen in zijn stijl en van alle gemakken voorzien. Hij omringde zich met persoonlijke objecten uit de keizerlijke paleizen in Berlijn en Potsdam. Kunst, zilverwerk, meubilair en tapijten die eeuwen aan vorstelijke Duitse geschiedenis weerspiegelden.

Het moet voor Hermann en Ina een vreemde gewaarwording zijn geweest, zo dicht in de buurt te wonen bij de keizer uit hun geboorteland.

Om veiligheidsredenen was het voor Wilhelm niet mogelijk om ver te reizen. Zijn belevingswereld bleef in Nederland vrijwel beperkt tot het kleine Utrechtse dorpje Doorn, waar zich van de één op andere dag een hofprotocol in zakformaat afspeelde. De bewoners vonden het prima. Niet alleen was het voor de naamsbekendheid van het dorp aantrekkelijk om een gewezen keizer in het hun midden te hebben, ook leerden ze Wilhelm als een bijzondere persoonlijkheid kennen. Hij werd er een graag geziene gast.

Begin 1941 was de destijds 82-jarige Wilhelm nog altijd in Huis Doorn woonachtig toen er zich opnieuw Duitse vluchtelingen in het dorp meldden. Het waren zeventig Duitse Joden. Ze hadden net als de voormalige keizer Duitsland moeten verlaten vanwege hun achtergrond. Zowel de keizer als de groep gevluchte Joden kregen vanaf mei 1940 te maken met een bezetter die hun, op zijn zachts gezegd, niet erg gezind was. Wilhelm bijvoorbeeld, werd vanaf de inval van de nazi’s permanent bewaakt. Hij was een gevangene op zijn eigen landgoed geworden.

Ook Hermann Gurau (1914), zijn (toekomstige) vrouw Ina Lesser (1920) en de andere Joodse vluchtelingen werden in de gaten gehouden. Zij leefden in een villa aan de Oude Woudenbergseweg 17 in Doorn. Vlak na de inval van de nazi’s waren ze uit het Nederlandse kustgebied verdreven en in Doorn gehuisvest.

Het moet voor Hermann en Ina een vreemde gewaarwording zijn geweest, zo dicht in de buurt te wonen bij de keizer uit hun geboorteland. Dat zij van Wilhelm hebben geweten staat buiten kijf. Niet alleen was het een bekend gegeven dat de gewezen keizer in Doorn leefde, ook hadden de vluchtelingen goed contact met de bevolking en moeten zij van hen over Wilhelm hebben gehoord.

In juni 1941 stierf keizer Wilhelm II. De begrafenis op Huis Doorn werd bijgewoond door onder andere Arthur Seyss-Inquart en de Duitse militaire opperbevelhebber in Nederland, generaal Friedrich Christiansen. Een groot gedeelte van de Joodse vluchtelingen was inmiddels, geholpen door plaatselijke ambtenaren, ondergedoken. Hermann en Ina bleven met ongeveer 35 mensen achter, tot zij naar Westerbork werden overgebracht. Herman in augustus 1942, Ina volgde in april 1943. Vanwege Hermanns functie als ijzerhandelaar en hun huwelijk in mei 1943, wisten beiden uit de transporten naar het Oosten te blijven en in Westerbork de bevrijding mee te maken.

Op 28 juni 1945 werden Hermann en Ina Gurau door het Militair Gezag, dat destijds de leiding had, uit kamp Westerbork ontslagen.